Maand: maart 2017

Meubelrestaurator

Iskander Breebaart; ‘We laten de tijd zien’

“Dit hoekstuk zat maar met één spijker vast. Ik kijk nu alle lijstwerkdelen van een zeventiende-eeuws kunstkabinet na. Veel stukken zijn in de loop der tijd losgegaan, of bij eerdere restauraties niet goed vastgemaakt. Het hoekstuk liep niet meer mooi in de lijn met de rest van het lijstwerk.

Ik vind dit een van de mooiste kabinetten van het Rijksmuseum. Vermoedelijk komt het uit Amsterdam, in ieder geval uit de Noordelijke Nederlanden. Het is zeldzaam mooi, van dezelfde kwaliteit als kabinetten uit Antwerpen, Augsburg of Parijs. Vroeger stond het op zaal, en dat was nu ook de bedoeling, maar er was helaas net niet genoeg plaats in de nieuwe opstelling. We zijn het nu aan het restaureren, zodat het een keer gewisseld kan worden met een andere kast.

Kijk, zie je deze spleet? Hout krimpt in de breedte, nauwelijks in de lengte. Daardoor ontstaan zulke spleten. Vervolgens komt het onder spanning te staan, en gaat het loszitten. Ik heb het hoekstuk eraf gehaald, lijmresten verwijderd, en er een vulstuk opgeplakt, waardoor de passing straks weer goed wordt. Nu schaaf ik het vulstuk op maat, net zo lang tot het hoekstuk naadloos past.

Om de passing goed te krijgen, zou ik ook de verstekken zelf wat kunnen aansnijden. Dat doe ik niet, dan zou ik een grens over gaan, want dan zou ik oorspronkelijk materiaal weghalen. En dat willen we niet.

Het restauratievak is terughoudend geworden. Alle restauraties van museale objecten moeten omkeerbaar zijn. Een toekomstige restaurator moet mijn werk ongedaan kunnen maken. Een vulstuk is geen oorspronkelijk materiaal, dat kan er zo weer afgehaald worden.

Bestaat mijn werk nu vooral uit consolideren en conserveren, vorige generaties restauratoren reconstrueerden veel, vulden aan wat in de loop der tijd verloren was gegaan. Tegenwoordig laten we de tijd zien: zo is dit object de geschiedenis doorgekomen, zo mag het gepresenteerd worden. In de collectie hebben we ook meubelstukken met oorlogsschade. We vertellen het verhaal van de geschiedenis.

Ik heb altijd met mijn handen willen werken, oorspronkelijk ben ik meubelmaker. Om tot goed resultaat te komen moet je als restaurator gebruikmaken van oude technieken die bijna niet meer worden toegepast. Doordat ik me erin heb verdiept, heb ik ook respect gekregen voor de historische wijze van maken.

Beter. Veel beter. Maar aan de bovenkant zit nog een spleet. Daar moet ik wat meer afschaven.

Als ik eenmaal bezig ben, wil ik mijn werk perfect doen. Het kost tijd, maar het resultaat dat ik voor ogen heb, haal ik bijna altijd. Ook bij dit kunstkabinet. In het totaal zal ik hiermee een maand of vier bezig zijn.

Volgens mij past het nu. Ter controle houd ik er een stuk wit papier achter, dan zie je beter of er nog licht tussen de naden door kiert. Nee, niets. Dit hoekstuk past weer.

‘Als werkloze ontdek ik dat ik mezelf vergat’

Liesbeth van der Ree, voormalig secretaresse.

‘Ik werkte als secretaresse bij een Brabantse fabrikant, groothandel van aangepast zitmeubilair. Toen de kinderen naar school gingen, ben ik er eerst als binnendienstmedewerker in dienst getreden. Het bedrijf was nog klein, ik werkte samen met de directie en een chauffeur. Na verloop van tijd, het bedrijf groeide, had ik het gezien bij de binnendienst. Dat vertelde ik mijn baas. Mij werd toen gevraagd secretaresse binnen het bedrijf te worden, wat mijn eigenlijke functie is. Afgelopen vijftien jaar heb ik daar keihard als secretaresse gewerkt.

Nu ik werkloos ben, ontdek ik dat ik mezelf ben vergeten. De laatste tijd heb ik me vaak afgevraagd wat de waarde of de zin van mijn werk geweest is. Als managementassistente lever je geen product af. Ik had een vertrouwensfunctie, was het geheugen en de vooruitziende blik van mijn baas. Een goede secretaresse is een zesde zintuig. Zo had ik vaak als eerste door wanneer een contact met een klant stroef begon te lopen. Wanneer ik dat merkte, stapte ik op mijn baas af: ‘Bel een keer, ik heb het idee dat die relatie niet helemaal lekker ligt.’

Ik was tevreden als aan het einde van de dag al het werk dat er lag klaar was en mijn mailbox leeg was. Ik had ook langdurige projecten onder mijn hoede. Ik ging pas naar huis wanneer m’n werk voor de volgende dag netjes op een rijtje klaarlag.

Anderhalf jaar geleden bekroop me het gevoel dat mijn functie afbrokkelde. Voor een nieuwe divisie werden twee managers aangenomen. Ik zou meer werkzaamheden krijgen. Dat bleek niet het geval. Deze twee zouden de baan opgaan, maar ze bleven binnen. Ze zetten bijvoorbeeld een relatie-beheerssysteem op en hielden dat zelf bij. Ik dacht dat dat mijn taak was. Ik heb vragen gesteld over het afbrokkelen van mijn functie, ook tijdens functioneringsgesprekken. Ik kreeg geen antwoord op mijn gevoel. ‘Liesbeth, je functioneert prima.’

Begin dit jaar werd bij het bedrijf een nieuw pensioensysteem geïntroduceerd, zonder dat wij daar als werknemers van op de hoogte gesteld waren. Ik ben in verweer gegaan. Dat was tegen het zere been van de directie. ‘Liesbeth, je mag blij zijn dat je nog een baan hebt’, kreeg ik te horen. Toen er later ook nog een telefoontje van het UWV voor mijn baas kwam, realiseerde ik me dat mijn intuïtief aanvoelen werkelijkheid zou kunnen worden.

Half mei stond mijn vakantie gepland. Plotseling kreeg ik bloedneuzen. Er werd een erg hoge bloeddruk vastgesteld. Na de vakantie, half juni, bleek de bloeddruk nog steeds te hoog. Mijn arts verbood mij op 13 juni naar een aangekondigde bijeenkomst over de toekomst van het bedrijf te gaan. ‘s Middags belde de advocaat van het bedrijf: ontslagen, om bedrijfseconomische redenen. Aan één been was ik de volgende dag letterlijk verlamd van schrik.

Een paar weken en vele gesprekken met dierbaren verder, waren schrik, ongeloof, verbijstering en woede verdwenen en ging mijn gezondheid vooruit. De relatie met de directie was inmiddels verziekt en het voordien leuke contact met collega’s viel stil. De zaak loopt nog.

Zo langzamerhand zie ik positieve kanten van dit ontslag. Verbittering of andere negatieve gevoelens wil ik niet toelaten en ik pas ervoor aan mijn eigenwaarde te twijfelen. Ikzelf ben immers niet de oorzaak van dit ontslag!

Nu richt ik me op de vraag: waar liggen mijn talenten? Tot mijn ontsteltenis zag ik in dat ik daar nooit mee bezig ben geweest. In ‘Je 2de Carrière’ van Donald Suidman kwam ik het advies tegen terug te gaan naar je jeugd. Wat wilde je toen, en waarom is dat er nooit van gekomen? Ik kom tot de ontdekking dat ik zo veel interesses heb en nog zo veel zou willen leren! Misschien verder met mijn talen? Interieurstylist? Een representatieve functie in een mooie omgeving? Of iets met kinderen, wat ik al wilde na mijn middelbare school, maar waarvoor de opleidingen toentertijd overtekend waren?

Ik ben 61. Iedereen zegt: ‘Jij bent jong in je denken, en je ziet er goed uit.’ Ik focus me niet op 65, maar zoek naar iets wat ik langer kan doen. Ik ben opgelucht, en zie kansen. Nu praktisch aan de gang!”

Interim-manager

Kamal Amain; ‘De aanloop naar zo’n gesprek vind ik moeilijk’

‘Ik kan me voorstellen dat je gespannen bent. We hebben eerder gesproken over de fusie van de organisatie. Ik heb je toen ook verteld dat er enkele functies niet terugkomen. Om met de deur in huis te vallen: in de nieuwe organisatie keert jouw functie niet terug.’

Als interimmanager begeleid ik op dit moment een fusie tussen twee grote organisaties.

Ik voer nu een gesprek met een man van iets boven de vijftig. Ik weet dat deze man een kwetsbare gezondheid heeft, alleen is – en toch is het mijn taak hem te vertellen dat zijn baan verdwijnt.

‘Mijn hele functie komt niet terug?’

‘Nee.’

‘Wat ik dertig jaar gedaan heb, is weg.’

‘Die historie verdwijnt niet. Maar de functie die jij nu vervult keert in de nieuwe organisatie niet terug.’

Ik zie mijzelf als een moderne nomade. Als ik een organisatie binnenkom, neem ik mijn tent mee. Het is belangrijk dat ik stevige grond heb om mijn tent op te zetten. Zit mijn taak erop, dan vouw ik mijn tent op, ruim mijn rommel op en vertrek.

Die stevige grond bestaat uit vertrouwen, oprechtheid en rechtvaardigheid. Als het me niet lukt vertrouwen te winnen van de werknemers, dan waait mijn tent bij de eerste de beste rukwind om. En die wind komt er, daar kan ik zeker van zijn, want ik ben gekomen om verandering te brengen. En dat stuit altijd op weerstand.

‘Wat gebeurt er dan met mij?’

‘We zullen jou niet loslaten. Er is een sociaal plan waarin jouw rechten duidelijk aan bod komen. Die rechten zullen we verzilveren. Ook kijken we naar opleidingen. En we zoeken of er op een andere plek voor jou ruimte is te vinden. Je hebt dertig jaar uitstekend gefunctioneerd.’

‘Daar ligt het niet aan.’

‘Nee, aan de kwaliteit van je werk ligt het niet.’

‘Dan begrijp ik toch niet waarom ik eruit moet.’

Ik leg hem uit, dat de ene organisatie honderd mensen inbrengt, en de andere negentig. In de nieuwe organisatie blijven er van die honderdennegentig banen honderdentwintig over. ‘We moeten dus in de formatie schrappen.’

Bij alles wat ik doe, stel ik mij de vraag: waarom doe je dit? De waaromvraag is het belangrijkste. ‘Wat?’ is meestal duidelijk: de reorganisatie is een feit, ik besluit daar niet over, ik begeleid de reorganisatie. ‘Wie?’ is ook niet zo moeilijk: er zijn harde spelregels die bepalen wiens baan verloren gaat. Maar ‘waarom’? Soms lukt het me veel banen te behouden. Laatst heb ik bij een fusie 99 procent van de werknemers weten te redden. Die ene procent had een andere baan gevonden. Daar hebben we voor moeten vechten. En als zoiets me niet lukt, dan wil ik het slechte nieuws zo kunnen formuleren, dat de betreffende werknemer het begrijpt. Dat hoeft niet in één keer te zijn. Vaak voer ik meerdere gesprekken met mensen van wie de functie verdwijnt. Het duurt lang voordat dergelijke informatie beklijft.

De aanloop naar zo’n gesprek toe – die vind ik moeilijk. Een half uurtje geleden zag ik deze man in de kantine lopen. Op een dienblad lagen boterhammen, een plak kaas en een pak melk. Hij ging lekker eten.

Nu zit hij tegenover me. Hoofd in zijn handen. Hij schokschoudert. Ik sta op en pak een beker water.

Als hij wat bekomen is, zegt hij: ‘Ik ben boven de vijftig. Zijn er niet een paar anderen, jongeren, voor wie nog veel makkelijker een baan te vinden is?’

Ik vervolg mijn uitleg. In zijn functiegroep zijn alle werknemers boven de vijftig. De reorganisatie gaat op basis van anciënniteit. ‘Van de tien mensen met jouw functie zijn er zes eerder de organisatie binnengekomen dan jij. Die gaan voor.’

Hij knikt. Ik vertel dat hij het komende half jaar in de huidige structuur blijft functioneren. ‘Vanaf 1 juni 2014 zal de nieuwe organisatie geleidelijk opstarten. Over een jaar, in december, moet de reorganisatie afgerond zijn.’

‘Dan ben ik weg.’

‘Dan is jouw functie weg, komende tijd blijven we elkaar vasthouden.’

Ik blijf bij de reorganisatie betrokken tot de nieuwe organisatie echt een feit is. Tot dat moment zal ik deze man begeleiden, en proberen te helpen. Maar dan, begin december 2014, komt het ogenblik dat ik mijn tent weer opvouw en vertrek. Dan neem ik echt afscheid.”

Stadsgids

Werner van der Meer; ‘Ik toon ze alles, ook de Wallen, zonder oordeel’

“‘Hier, aan uw rechterhand, ziet u een typisch voorbeeld van arbeiderswoningen uit jaren twintig, dertig van de vorige eeuw.’ Vandaag leid ik Peruanen rond. Eenvoudige mensen, dat zie je aan de gangbare, rustieke outfit, met die malle hoedjes. Maar als ik ze vertel over het kolonialisme weten ze er alles van, dat kennen ze van huis uit.

Ik begin de dag op de toeristenbus – nu zijn we in Amsterdam-Zuid. ‘Kijkt u vooral naar de kleine raampjes. Die zijn typisch voor deze architectuur: de arbeider moest binnen zitten, studeren, zich ontwikkelen.’

Straks maken we een rondvaart door de grachten. Laat ik ze de rijkdom van de burgercultuur zien, vertel over het verschil tussen onze geschiedenis en die van de ons omringende landen. Aan de grachten zie je niet de rijkdom van de adel, de kerk, de koning, geen pompa pompa gedecoreerde huizen. Soberheid is hier de essentie, maar achter die façade gaat een abundante rijkdom schuil.

Al veertig jaar gids ik in het Spaans, Duits, Engels. In het Frans doe ik het niet meer; Fransen lachen je uit als je een taalfoutje maakt. Vroeger liet ik toeristen alleen de toeristische hoogtepunten zien. Nu willen mensen alles weten over hoe onze maatschappij in elkaar zit. Vaak krijg ik de vraag wat die burgercultuur dan heeft opgeleverd. Met trots leg ik dan ons tolerante concept uit. Dat we nu in Amsterdam met 176 nationaliteiten samenleven, komt voort uit ons verleden. Het moet voor de autochtone zeventiende-eeuwse Amsterdammer ongelooflijk geweest zijn te moeten omgaan met talloze immigranten, die vanuit heel Europa naar de machtigste stad van de wereld kwamen. Nog steeds zijn we, ondanks kleine problemen, redelijk goed in staat samen te leven.

Ik laat ook de keerzijde van die open maatschappij zien. We eindigen altijd op de Wallen – met deze Peruanen straks ook. Waar gaat het liberale ideaal over in libertinage? Ik vel nooit een oordeel, ik toon ze onze maatschappij.

Daar zijn we nog niet. We richten ons nu op de Amsterdamse School. ‘Het valt pas op hoe vernieuwend deze sociale woningbouw is, als u ze zou vergelijken met, bijvoorbeeld, de leefomstandigheden van de arbeider in de mijnen in het Engelse Sheffield. Verschrikkelijk. Hier in Amsterdam besefte men dat alleen gezonde arbeiders goede arbeiders zijn. En dat gezondheid te maken had met je leefomgeving. Hier werd vormgegeven aan het ideaal van de verheffing van de arbeidersklasse. Misschien waren de architecten van de Amsterdamse school wat bedillerig, maar toch, revolutionair was het wel.’

Aan het einde van de dag sta ik niet bij de bus om tip te vangen. Daarvoor ben ik te oud. Maar het gebeurt me gelukkig vaak dat ze naar buiten komen, me een hand geven – zelfs de kritische, lastige Argentijnen die zo kunnen zeiken en rochelen – en zeggen: ‘Het was fantastisch, hartstikke bedankt.’ Ik heb ze een mooie dag bezorgd. Dat is een heerlijk besef.”

Verkoopster 2e handskleding

Chantal den Aantrekker; ‘Mannen dragen hun kleren toch wat meer af’

“Ik pak de hele dag kleding uit. En iedere tas is weer een verrassing, eigenlijk een cadeautje. Vandaag heb ik geluk. Ik ben nu kleren aan het uitzoeken van een mevrouw die altijd fantastische merken draagt. Mensen brengen bij mij hun kleding. Het hangt hier zes weken, en als het verkocht wordt, is de helft van de opbrengst voor hen.

Elke week loop ik de hele winkel door, en haal de kledingstukken die er zes weken hangen uit de rekken. Soms ben ik verbaasd: hoe is het mogelijk dat zo’n mooie jas niet is verkocht? Toch haal ik hem weg, ik wil de omloopsnelheid in de winkel hoog houden. Klanten komen van heinde en verre, zij moeten nieuwe kleding in de rekken zien hangen. Wordt een kledingstuk niet verkocht, dan kunnen de eigenaren het terugkrijgen of het gaat naar een goed doel.

De kleren uit deze tas zullen zeker verkocht worden. Ook omdat deze mevrouw er geen extreem hoge prijs voor wil krijgen.

Sommige verkopers willen inspraak. Als mensen een bepaald bedrag voor een kledingstuk willen, kunnen ze dat zeggen, en kijk ik of dat haalbaar is.

Er komen hier honderd mensen per week kleding brengen. Ik krijg zo’n 3000 stuks aangeboden, en kan er maar 1000 kwijt. Ik heb vooral vrouwenkleding, over het algemeen dragen mannen hun kleren toch wat meer af.

Een paar jaar geleden belde er iemand op: ‘We zijn het huis van mijn moeder aan het leeghalen. Zouden we de kleding bij u kunnen brengen?’ Een half uur later kwamen ze met een verhuiswagen vol kleding: veertig dozen panty’s, onderbroeken, sjaaltjes, jasjes, sokken. Uiteindelijk heb ik drie kledingstukken genomen. De rest mocht, gelukkig, naar een goed doel.

Ik beoordeel de kleren ook nooit als de klanten nog in de winkel zijn. Dat levert discussies op. En verhalen. Het is leuk als mensen vertellen over hun kleding, maar ik zie zelf ook wel of zij de kleren met liefde gedragen hebben – die is dan meestal niet mooi genoeg meer om te verkopen in mijn winkel.

Ik zet de tassen hierachter in het magazijn, en neem de inhoud door als het mij uitkomt. Dan nog ontstaat er wel eens discussie: ‘Als ik zie wat hier hangt, begrijp ik niet dat u mijn kleding niet neemt.’

Ik heb de winkel nu achttien jaar, en het lukt me goed zo’n opmerking van me af te laten glijden.

Over het algemeen heb ik ontzettend leuke klanten. Ik ben gek op mensen. ’s Avonds komen er wel eens vriendinnenclubs, die ik graag aankleed. Helaas heb ik daar de laatste tijd weinig tijd voor.

Ik leef van deze tassen. Moet je kijken, deze Liu Jo-blouse kost in de winkel zeker over de 150 euro, bij mij is ie €9,50. Van zo’n tas als deze word ik echt blij.”

Autosloper

John Elsenaar; ‘Mijn hele hebben en houden zit in dit bedrijf’

“Ik heb vanochtend een Volvo C30 binnengekregen met nog geen 2000 op de teller. De auto heeft brandschade aan de achterkant, maar de complete voorkant, inclusief het technische deel, is praktisch nieuw. Nu beoordeel ik de onderdelen.

Vroeger had de autosloop een slecht imago. Je kwam bij een keet waar de sloper koffie zat te drinken, en je moest zelf maar op zoek naar het onderdeel van je gading. Bij ons gaat het al lang anders. Twintig jaar geleden, toen we nog in een kippenschuur zaten, demonteerde ik al auto’s, deed aan alle onderdelen kaartjes: merk, type, jaartal, onderdeel.

Nu loopt alles via de computer. Ik bied op schadeauto’s die de verzekeringsmaatschappijen op internet anoniem aanbieden. Ik beoordeel op basis van meegestuurde foto’s. Ik zie niet wat collega’s bieden, ik onderhandel ook niet met de verzekeringsmaatschappij. Er wordt niets meer onder tafel geregeld. De hoogste bieder krijgt de auto.

Per jaar komen hier zo’n duizend auto’s binnen. Vanochtend heb ik nog een bod gedaan op een Skoda. Meestal zie ik het wel goed, maar op het moment dat ik op de knop drukte en het bod verstuurde, wist ik: te veel betaald. Ik heb de auto toegewezen gekregen, maar maak er vast verlies op. Ik heb zo’n vierhonderd auto’s op voorraad staan. Zit er echt geen handel in een auto, dan gaat hij naar het oud ijzer. Per week laat ik er zo’n tien afvoeren.

Bij de RDW, de Rijksdienst Wegverkeer, heb ik deze Volvo C30 aangemeld voor demontage. Ik heb de papieren opgestuurd, deze auto gaat nooit meer de weg op. Uit mijn computer is net een label gerold met een nummer. Dat plak ik op de auto. Als een koper dit nummer intikt, krijgt hij de complete informatie over de auto. Alle onderdelen moeten herleidbaar zijn, anders gaat het mogelijk om gestolen waar.

Natuurlijk, er kan altijd gesjoemeld worden. Ik doe het niet. Mijn opa is dit bedrijf begonnen in 1941, mijn vader heeft de zaak overgenomen in 1979. Toen hij zestien jaar geleden overleed, ben ik aan het roer komen staan. En mijn zoon van 17 wil liever vandaag dan morgen de sloop in. Mijn hele hebben en houwen zit in dit bedrijf. Dat zou ik nooit op het spel zetten. Ik verdien genoeg.

Het labelen is nu het belangrijkste onderdeel van mijn werk. Van elk onderdeel moeten we de juiste informatie online zetten, zodat dealers en garages de onderdelen via een zoekmachine makkelijk kunnen vinden. Ik verkoop weinig aan particulieren, die vinden alles te duur.

Ik zie nu dat er toch roetschade zit op de airbag van deze Volvo. Die kan ik niet meer verkopen. Dat is jammer. Een nieuwe Volvo airbagset kost al gauw 3500 euro. Ik had ze al op internet gezet voor 1500. Die kan ik nu weer uit het systeem halen. Een tegenvaller. Dat hoort ook bij mijn handel.

Overgangsconsulente

Ans Noordmans; ‘Ze is moe en somber, slaapt slecht, de reserves zijn op’

“‘Kun je mij vertellen wat je al hebt ondernomen om van je klachten af te komen,’ vraag ik, terwijl we een kopje koffie drinken.

Het was lastig met mijn 48-jarige cliënte, een afspraak te maken. Ze doet het huishouden, en werkt drieënhalve dag per week buitenshuis. Komt de zorg voor haar moeder nog bij. Dat klinkt bekend. Vrouwen in de overgang hebben het vaak vreselijk druk: ze combineren de zorg voor hun gezin met een baan, zijn gewend dat iedereen een beroep op ze kan doen. Als ze bij mij komen, zijn hun reserves op. Mijn cliënte ziet er moe uit.

‘Een jaar geleden ben ik voor het eerst naar de huisarts gegaan. Moe, erg moe. Gewrichtsklachten. Hij heeft bloed geprikt maar er werd niets gevonden.’

Ze heeft geen echte zorgen: gelukkig gezin, kinderen van 12, 14 en 19. Wel is ze vaak somber, heeft last van warmte-aanvallen en slaapproblemen. Ze heeft ook gewrichtsklachten en droge slijmvliezen. Stuit ik bij cliënten op klachten die niet bij de overgang passen, dan adviseer ik naar de huisarts te gaan. De klachten van deze vrouw passen bij de eerste fase van de overgang.

‘Ik wil graag je bloeddruk meten, goed?’ Haar bloeddruk is aan de hoge kant. ‘Aan het einde van het consult meten we nog een keer.’ Ik vertel iets over de overgang. Doordat de eicellen opraken, worden er minder vrouwelijke hormonen aangemaakt. Dat maakt de hormoonbalans kwetsbaar. Stress en overbelasting versterken de disbalans, waardoor klachten kunnen verergeren. Bij stress denken we vaak aan geestelijke spanning. Toch kan ook voeding, pijn of ziekte in deze fase als stressfactor werken. Omdat ik behalve verpleegkundige ook orthomoleculair therapeut ben, vraag ik naar haar voedingspatroon. Ze eet bewust en gevarieerd, maar om haar klachten te verminderen zijn er zeker aanpassingen mogelijk. Ik adviseer nooit ingewikkelde diëten. Te belastend voor deze drukke vrouwen. Het gaat om kleine, essentiële voedingsaanpassingen. Soms adviseer ik iets natuurlijks. Er zijn middelen voor de diverse fases van de overgang. Ik verkoop ze niet. Dat vind ik niet zo’n goede combinatie: iets adviseren en er dan op verdienen. Vrouwen horen wel van mij hoe ze er zo voordelig mogelijk aan kunnen komen.

‘Ik zou graag nog een keer je bloeddruk meten.’ We zijn nu ruim vijf kwartier bezig. We gaan naar de afronding van het consult. “De bloeddruk is lager nu.’

Het behandelplan bespreken we in het tweede consult, begin volgende week. Zij wil snel beginnen. Meestal hebben we drie consulten nodig, en is de behandeling na zeven weken voorbij. Ik vind het elke keer weer heerlijk als een vrouw na zeven weken terugkomt en de maatregelen goed blijken te werken. Juist omdat er voor vrouwen in deze hormonale fase weinig aandacht en adequate hulp is.”

Consulente relatiebemiddeling

Annemiek Plomp; ‘Fantastisch als ik een trouwkaart krijg’

“Ik kan me voorstellen dat jij het liefst een vrouw wilt van rond de 50. Jij bent sportief, en je bent bang dat een oudere vrouw je niet kan bijbenen. Maar ik ken echt sportieve dames van 60, met een uitstekende conditie, die er ook nog goed uitzien.’

Ik voer nu een oriënterend gesprek met een man van begin 60. De antwoorden schrijf ik straks op een kaart, die op het bureau in het systeem wordt verwerkt. Veel heren zeggen dat ze graag een dame willen die jonger is. Dat is niet makkelijk, ook dames willen een man van hun eigen leeftijd of jonger. Een man van 60 kan over niet al te lange tijd verzorging nodig hebben. Daar zien de dames tegen op.

‘Wat voor sport doe je?’

‘Racefietsen. Vroeger met mijn vrouw.’

‘Moet je dat per se samen doen? Zou je niet met vrienden kunnen fietsen, en met je nieuwe partner kunnen gaan wandelen?’

Als wij mensen inschrijven, geef ik een prognose van het aantal voorstellen dat men kan verwachten. Hoe flexibeler iemand zich opstelt, hoe meer ik kan doen. Vooral hoogopgeleide vrouwen van rond de 55 zijn veeleisend. Zij eisen van hun aanstaande partner ook minstens hbo, donker haar, 1 meter 80, liefst ook niet te ver, en – dat gaat niet. Meestal lukt het mij hen te overtuigen: ook iemand met een lagere opleiding kan zich gaandeweg zijn leven ontwikkeld hebben. En waarom moet een vrouw van 1 meter 68 een man van 1 meter 80? Een paar centimeter langer is toch ook goed, vraag ik dan, want dan kun je nog wel een hakje aan.

Geloofsovertuiging is soms een onoverkomelijk struikelblok. Een kinderwens van een vrouw van begin veertig is voor veel mannen die al kinderen hebben onoverkomelijk.

‘Denk je even in dat je via ons een partner vindt. Hoe zit jouw leven er over een jaar of twee dan uit?’, die vraag stel ik vaak. In het antwoord van de meesten speelt lengte, kleur haar, leeftijd geen enkele rol. Het is belangrijk dat ze goed met elkaar kunnen praten, gezellig samen op vakantie kunnen gaan, kunnen opschieten met de eventuele kinderen uit eerdere relaties.

Het mooiste is als ik een dame en een heer bij elkaar weet te brengen die ik zelf bij ons bureau heb ingeschreven. We hebben een kleine veertig consulenten, dus dat gebeurt zeker wel, maar niet elke dag. Lukt het wel, en krijg ik later een trouwkaartje, dan is dat fantastisch. Juist de persoonlijke begeleiding die wij bieden doet een relatiebemiddelingsbureau zo verschillen van een datingsite.

Voor deze man heb ik ook iemand op het oog. Inderdaad een sportieve, zelfstandige, wat oudere dame die er goed uitziet. Prima opleiding, behoorlijk inkomen. ‘Het zou toch zonde zijn als je die leuke vrouw uitsluit, alleen omdat ze van je eigen leeftijd is? Zullen we dan toch maar opschrijven: van 48 tot 60?”‘

Hypotheekadviseur

Jacco van Nuys; ‘Als ik er geen goed gevoel over heb, doe ik het niet’

“Ik ben nu aan het bellen met de bank. Dat doe ik graag buiten, bij ons in het kantoor is het nogal hectisch. Een klant wil voor zijn kind een woning kopen, maar dat is de laatste jaren lastig geworden.

Natuurlijk kun je zonder een adviseur een hypotheek afsluiten. Maar als je je door een bank laat adviseren, zal de bank een product adviseren dat zij zelf aanbieden. Terwijl wij, nadat we de wensen en mogelijkheden van de klant op een rijtje hebben gezet, een keus kunnen maken uit alle producten van alle banken. Vroeger was er wel twijfel aan onze adviezen, doordat we betaald werden door de geldverstrekker. Toch kan ik met de hand op mijn hart verklaren dat ik mij daardoor nooit heb laten leiden. Gelukkig heeft de keten waaraan wij gelieerd zijn besloten de cliënt voor het advies te laten betalen waardoor belangenverstrengeling niet meer mogelijk is. Daarna veranderde ook de wetgeving.

In hypothekenland is er sinds de crisis veel veranderd. Zo is het moeilijk om een hypotheek te krijgen voor een tweede huis, een beleggingspand. Terecht zei mijn klant dat hij niet wilde beleggen, maar zijn studerende zoon financieel aantrekkelijk onderdak wilde bieden. Toch noemen banken dit wel zo: het pand wordt verhuurd, huurders hebben rechten en dan kan het voor de bank moeilijk worden om het onderpand te verkopen als mijn cliënt in gebreke blijft. Ik vraag daarom nu een hypotheek aan met als onderpand de woning van cliënt zelf. Daar zit genoeg overwaarde in. Het maakt dan voor de bank eigenlijk niet uit waar de cliënt het geld voor gebruikt. Al koopt hij er een auto van.

Van jongs af aan wist ik dat ik wilde werken in de financiële dienstverlening. Bezig zijn met geld is mijn passie. Niet om er zelf rijk van te worden, want de tijd dat een financieel adviseur rijk werd, ligt achter ons. Nee, met geld kun je zoveel regelen voor mensen. Dat geregel, dat is mijn drijfveer.

Het is begrijpelijk dat banken voorzichtig zijn geworden. Maar kijk eens goed waar het mis is gegaan. Niet bij de individuele klant die een woning voor zijn zoon wil kopen. Het is misgegaan bij grote jongens, die twintig miljoen leenden, met als onderpand vastgoed met een waarde van dertig miljoen. Toen de huizenmarkt in elkaar zakte, moesten dat soort klanten geld bijstorten dat ze niet hadden. Van die misstanden zijn kleine beleggers nu de dupe.

Er zijn ook zaken waar ik zelf de stekker uit trek. Laatst kwam een klant met een intentieverklaring voor een vaste baan. Na goed doorvragen en contact met de werkgever bleek die verklaring flinterdun. Als ik er geen goed gevoel over heb, dan doe ik de zaak niet.

Nu is dat anders. Ik heb genoeg ervaring om te weten dat deze zaak rond komt. Maar ik weet het woensdag pas zeker, als de bank uitsluitsel geeft.”

Pedel

Barbara Zegveld;. ‘Ik loop naar voren en zeg: hora est’

“Het is bijna tijd, de promotie is een uur bezig, ik sta achter in de aula. Een opponent is bezig met het stellen van zijn vraag.

Anderhalf uur geleden ben ik met de voorbereiding begonnen. De gastvrouwen zien erop toe dat de tafels op het podium gerokt zijn, leggen de bul achter de coulissen klaar en ontvangen de promovenda met paranimfen en de commissieleden. Ik zorg dat in de forumzaal de benodigdheden klaarliggen: een registerboek waar alle promoties in genoteerd worden, een handtekeningenboek, de ambtsketen, een hamer om de vergadering te openen en te sluiten en de Bijbel. Ik stel vast dat de technicus van de audiovisuele dienst zich met de promovenda heeft ontfermd over de powerpointpresentatie voor bij het lekenpraatje- een samenvatting van het onderzoek voor familie en vrienden. De promovenda zat toen al een tijdje binnen, samen met haar paranimfen wachtte ze in het zweetkamertje, dat op de VU promovenduskamer heet. Met de promovenda heb ik het protocol doorgenomen. Zij wist wanneer ze moest gaan zitten, staan, en wanneer ze de openings- en slotformule moest uitspreken. Soms halen mensen door de zenuwen de zaken door elkaar.

Ik ben verantwoordelijk voor de academische plechtigheid. De traditie, waarvan ik deel uitmaak, ervaar ik nooit als een keurslijf. Integendeel, de regels bieden houvast. De ceremonie geeft cachet aan een belangrijk moment in het leven van deze persoon, die zoveel tijd aan onderzoek en schrijven van het proefschrift besteed heeft. Ik doe dit werk nu zo’n twaalf jaar, maar ik ben nog altijd voldaan als de plechtigheid ontspannen én stijlvol verloopt.

In de zaal was alles geregeld, de promovenda was er klaar voor. In toga en met staf heb ik haar opgehaald en naar de leden van de promotiecommissie gebracht, die in een voorgesprek bepaald hebben wie de promovenda welke vraag zal stellen. We zijn in optocht naar de aula geschreden: ik voorop, achter mij de rector en promotor, de commissie, ten slotte de promovenda met de paranimfen. De rector opende de bijeenkomst, en de promovenda begon haar lekenpraatje.

Toen had ik tijd even wat anders te doen. Mensen kennen de pedel vanwege de ceremoniële functie, maar het merendeel van mijn tijd besteed ik aan administratieve taken en dat is vooral veel regelwerk. Wij verzorgen niet alleen alle promoties, ook de oraties. Wij zorgen voor het waarmerken van diploma’s – vooral buitenlandse promovendi weten iets minder de weg – en zorgen voor de promotiebesluiten en de maandagenda van het College van Decanen. Daarnaast maken we de bullen, uitnodigingen van oraties en afscheidsredes en regelen we publicaties.

Een gastvrouw komt me halen. Het is tijd. De promovenda is bezig met het formuleren van haar antwoord. Ik loop naar voren en zeg luid en duidelijk: hora est. De promovenda weet dat de verdediging van haar proefschrift erop zit.”

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.