Maand: februari 2019

‘Het leven is wat je zelf bent’

Welk verhaal geeft uw leven zin? In de reeks Zin in het alledaagse vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Vandaag: Arjen Scholte (54). ‘Het lukte me, plotseling kon ik mijzelf de ruimte geven door de dingen op mij af te laten komen.’

Ik heb een rijk en zinvol bestaan. Dat besefte ik een dag nadat ik dood wilde en de zon zag schijnen op het water. Ik was toen alles kwijt, zocht alleen nog naar een ravijn waar ik in kon rijden. Op het moment dat ik naar die fonkeling keek, besefte ik dat ik vrij was, dat ik niet hoefde te leven naar wat de maatschappij van mij verlangde. Die vrijheid gaf mij de zin om door te gaan.

“Ik was een onzeker jongetje. Thuis was het onveilig, mijn vader dronk en reageerde vaak agressief. Mijn moeder leed daaronder. Mijn ouders namen me niet op schoot, ik kreeg zelden een aai of een knuffel. Het werd er niet beter op toen wij van Amsterdam naar een Fries dorp verhuisden. Hier werd ik buitengesloten, geslagen, getreiterd en gekleineerd. Ik voelde me ongewenst, thuis, maar ook op school.

“Mijn opa was de enige bij wie ik het gevoel had te mogen zijn wie ik was. In mijn angstige wereld die me op allerlei manieren liet merken dat ik ongewenst was, koesterde hij mij. Hij haalde me op van school, van sport. Maar mijn opa bleek mijn grootste vijand, hij misbruikte me.

“Zo leerde ik me verstoppen voor de buitenwereld. Dat hield ik vol, ook toen ik volwassen werd. Op mijn vijfentwintigste trouwde ik. Het werd een veilig huwelijk met een veilige baan, huisje-boompje-beestje-ideaal. Als ik eerlijk ben, was dit het rolmodel van een ander. ‘Kijk eens hoe mooi ze het samen hebben! Wat een aardige mensen!'”

Weggemoffeld

“Twintig jaar hield ik dit vol, zowel in mijn privésituatie, als op mijn werk. Als projectleider in de zorg wist ik iedereen te bekoren met nietszeggende kwaliteitsplannen en regelgeving. Ook toen dacht ik dat mijn leven zinvol was, totdat ik onverwacht uit de organisatie werd weggemoffeld. Ineens kreeg ik opnieuw het gevoel afgewezen te worden.

“Tijdens een burn-out ontdekte ik dat er nog zoveel was dat in mij zat opgesloten: dat verwaarloosde kind moest zich nog ontwikkelen, wilde puberen en fouten maken. Op het moment dat de meeste mensen worstelen met een midlifecrisis, begon ik in volle intensiteit van het leven te genieten. Ik besloot dat ik me door niets en niemand meer zou laten tegenhouden. Er volgde een scheiding. Daarna was ik vrij.

“Toen kreeg ik een intense relatie met een andere vrouw, samen hebben we een dochter. Dat meisje is geboren met spina bifida, medisch-technisch gezien is het onverklaarbaar dat ze nog leeft. Verstandelijk is alles in orde, maar haar lichaam werkt steeds minder. Het meisje is volledig afhankelijk van 24-uurs zorg die alleen door moeder gegeven kan worden. Mijn dochter wordt binnenkort 9 jaar, ik heb haar nu drie jaar niet gezien.

“Daarna ontmoette ik Fatima, een heerlijke vrouw vol passie, met wilde zwarte haren als een Egyptische koningin, zelfverzekerd en eigengereid. Ik werd verliefd, en de verliefdheid was wederzijds. Het was magisch. Fatima leerde mij de zinnelijke kant van het leven kennen. Toch kwam er een omslagpunt in die liefde. Fatima vond me een verkrampte loser. Weer het idee dat ik werd afgewezen.”

Goed genoeg

“Opnieuw besefte ik dat ik toch nog bezig was met de verkeerde dingen. Onuitgesproken worstelde ik constant met de vraag: Ben ik wel goed genoeg? Mag ik zijn wie ik ben, of moet ik meer mijn best doen? De antwoorden had ik van Fatima willen horen. Je best doen – mijn grote valkuil.

“Toen zij mij afwees, besefte ik dat ik mijn zin moest vinden in het moment van de dag, zoals Fatima mij geleerd had. Als zij zin had in een taartje kocht ze die, ook als ze rood stond. Ik zei dan: Dat kan toch niet, je hebt geen geld! Zij: ‘Dat komt vanzelf weer goed.’ Ik spaarde voor later, zij genoot van het leven nu.”

“Het lukte me, plotseling kon ik mijzelf de ruimte geven door de dingen op mij af te laten komen. Er kwam een huis met tuin, garage en moestuin – alsof ik een wens uitsprak die direct werd vervuld. Toen ik dat huis niet meer kon betalen, besloot ik te gaan reizen. Ik kocht een camper, trok door Europa. Ik kon het, ik mocht het van mijzelf.

Senegal

“Daarna liep ik een vrouw tegen het lijf, die me vroeg: ‘Wil je met me naar Senegal?’ Ik ben met haar meegegaan, terwijl ik haar niet kende. Dat overkomt mij tegenwoordig, ik hoef alleen maar open te staan voor het leven.

“Ik woon nu in een geweldig appartement in Zeist. Daar is een stiltegebied. In een enorme berk zitten twee aalscholvers. Ze zitten er elke dag.

“Vanochtend vroeg bracht ik mijn vuilniszak naar de container. Mensen stonden het ijs van hun autoruiten te krabben. Ze moesten naar hun werk. Het krassende geluid vulde de ochtend. Ik was blij dat ik geen auto had, dat ik geen baan had. Toch krabde ik ook mee, met mijn toegangskaart voor de vuilstort om de display van de vuilniscontainer ijsvrij te maken. Ik was gelukkig. De zin van het leven is het leven te laten zijn. Zonder plan.

“Als iemand herkenbaar is, dan ben ik het! Er is één les in het leven: het leven is wat je zelf bent. Niet: wie goed doet, goed ontmoet. Dan roep je een energie op die constant afhankelijkheid en teleurstellingen oplevert.”

Arjen Scholte is een van de hoofdpersonen uit het ‘Utregs Requiem’ dat op 17 februari in Tivoli Vredenburg Utrecht wordt uitgevoerd. Koor: Neon, orkest: Insomnio, solisten: Michael Wilmering en Ester Kuiper. Aanvang 16.00 uur, voorprogramma vanaf 14.30 uur.

‘We nemen vaak slecht afscheid’

Welk verhaal geeft uw leven zin? In de reeks Zin in het alledaagse vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Vandaag: Johannes Klabbers (60). ‘De zelfmoord van mijn vriend bracht een niet te stoppen gedachtengolf op gang.’

Na een vakantie in Nederland was ik net terug in Australië, toen ik om drie uur ’s nachts een telefoontje kreeg: een goede vriend was dood. 42 jaar, wat kon er zijn gebeurd? Zelfmoord, hij had zichzelf in brand gestoken, het verschrikkelijkste dat je kunt bedenken.

Ik was destijds universitair docent in een klein plaatsje tussen Melbourne en Sydney. Goede baan, mooi huis, zwembad in de tuin. Maar de zelfmoord van mijn vriend bracht een niet te stoppen gedachtengolf op gang. Uiteindelijk nam ik ontslag en meldde mij in Melbourne als vrijwilliger in een ziekenhuis. Ik liep er rond met een trolley om kranten en chocolade te verkopen.

Ons, vrijwilligers, was het uitdrukkelijk verboden te praten met de patiënten over wat het betekende ziek te zijn. Daar waren wij niet in getraind. “Wie doet dat dan wel?”, vroeg ik. De geestelijk verzorgers, die zonder uitzondering een wit boordje droegen. Allemaal van een of ander geloof. “Maar wie praat er met de ongelovigen”, wilde ik weten. “Dat kunnen wij ook”, zeiden de geestelijk verzorgers. “We hoeven het niet over God te hebben!” Als ik op sterven lig, dacht ik, wil ik niet iemand met een wit boordje aan m’n bed. Zo iemand die toch stiekem denkt: als die jongen nou in Jezus Christus zou geloven, zou hij zich beter voelen.

In een oncologisch ziekenhuis ben ik een training gaan volgen om een atheïstische manier van geestelijke verzorging te leren ontdekken. Enkele maanden nadat ik aan mijn opleiding was begonnen, ontmoette ik Julia. Ze was een paar jaar jonger dan ik en ongeneeslijk ziek. Longkanker. Ik werd haar geestelijk verzorger. Toen ik voor het eerst op haar kamer kwam, vroeg ze meteen van welke kerk ik was. “Geen”, zei ik, “ik ben atheïst!” “Godzijdank”, zei ze, met een halve glimlach. Eigenlijk ben ik een post-atheïst, want ik vind God en ook het idee dat we het nog steeds over zijn/haar eventuele bestaan zouden moeten hebben irrelevant. Maar van die term hebben de meesten nog geen kaas gegeten, daarom gebruik ik die bij onbekenden liever niet.

“Niemand begrijpt me hier”, zei Julia. “Wat wil je dan dat ze begrijpen?” “Dat ik dood aan het gaan ben en dat ik dat op de een of andere manier aan mijn dochter van twaalf moet uitleggen.” “Heb je dat geprobeerd?” Dat had ze niet. “Mijn dochter weet natuurlijk wel dat ik ernstig ziek ben omdat ik hier lig, maar ze denkt dat ik weer beter word.” “Heb je haar gezegd dat het ook mogelijk is dat je niet beter zal worden?” “Nog niet.”

“Doodgaan is helemaal niet zo ingewikkeld, het is vooral kut voor de nabestaanden”, zei wijlen Denker des Vaderlands, René Gude, eens. Hij had gelijk. Maar het is wel ingewikkeld met die nabestaanden te praten over doodgaan en afscheid van hen te nemen als je weet dat je dood gaat. Daarom wordt het vaak slecht gedaan. En met kinderen soms helemaal niet. Te moeilijk. We doen liever alsof onze neus bloedt.

Julia ging snel achteruit. Op een dag zei ze: “Daisy vraagt nooit meer hoe het met me gaat. Wil ze het wel weten!? Ze kan zelf toch ook wel zien dat het niet goed gaat. ’t Is net of ze kwaad op me is!”

Julia begon te huilen. Ik legde mijn hand op haar dunne arm. “Misschien is ze boos op je omdat je doodgaat. En haar achterlaat.”

Ik zweeg een tijdje. Toen zei ik: “Als je er niet met je dochter over kan praten, zou je een brief kunnen schrijven die ze pas mag openmaken als ze, zeg, achttien, is?”

Ze pulkte een piepklein zakdoekje uit de mouw van haar vest. Ze knikte. “Dat is een goed idee.”

In een brief, vertelde ik haar, kun je tegen je dochter praten als een volwassene. “Je kunt vertellen hoe erg je het vindt haar achter te moeten laten.”

Ik ben drie maanden bijna iedere dag bij Julia geweest om met haar te praten over het leven en doodgaan. En over veel andere dingen. Over haar moeilijke relatie met haar eigen moeder. Over hoe het mogelijk was dat Tom, haar man, zoveel van haar hield? En ook over kunst en film.

De brief is geschreven. Nu is Daisy achttien.

Ik ben teruggegaan naar Nederland, om aan de Vrije Universiteit een master spiritual care te volgen. Die opleiding heb ik inmiddels afgerond, ik werk nu als onafhankelijk geestelijk verzorger en therapeut. Veel beter dan in Australië kun je in Nederland atheïstisch geestelijk verzorger zijn; we noemen dat meestal humanistisch raadsman, maar dan moet je wel eerst een opleiding in het humanisme volgen.

Bij het humanisme draait het erg om de mens. Ik vind dat de mens de wereld overheerst, zich telkens opnieuw op de voorgrond dringt. Ik maak daar geen fans mee, als ik zoiets zou zeggen tegen iemand die op het punt staat te overlijden. In zo’n situatie begin ik het belang van de mens niet te relativeren, maar het belang van de wereld en het universum te benadrukken. Van de zee, van een zandkorrel, het oerwoud, de vogels, de insecten, de sterren. Zo kunnen we onze eigen dood relativeren. In een postatheïstisch, posthumanistisch tijdperk vind ik dat zingevend.

Johannes schreef: ‘I Am Here: Stories from a Cancer Ward’, verkrijgbaar bij bol.com.

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.