De hel ben je zelf? De dagelijkse praktijk is weerbarstiger dan de filosofie

Als ik hard werk slaagt mijn carrière. Als ik veel sport en veel sla eet blijf ik gezond. Dat activistische scenario is lang maatgevend geweest in onze maakbare samenleving. Maar nu depressie volksziekte nummer één wordt, vragen we ons af of we ons niet ietsje anders moeten gedragen.  De psychiatrie wordt te hulp geroepen: bij drie Vlaamse psychiaters zaten de zalen nooit zo vol. Maar ook kijken we naar de filosofie. Kan die helpen bij de aanpak van problemen? Trouw publiceerde vandaag een verhaal waarin de herwaardering van een stoïcijnse levenshouding wordt gepromoot

Volgens de Oudgriekse, stoïcijnse filosoof Epictetus (ca. 50-130 na Christus) hebben we bar weinig invloed op onze levensloop. We kunnen ons beter richten op waar we wél macht over hebben: hoe we zelf met deze gebeurtenissen omgaan.

Emeritus hoogleraar Grieks aan de VU in Amsterdam Gerard Boter in Trouw: “Volgens Epictetus moeten we ons steeds afvragen: wat ligt er in mijn macht, en wat niet? Verreweg het meeste, namelijk alles wat zich in de wereld om ons heen afspeelt, ligt buiten onze macht.” Boter veroordeelt die gebeurtenissen niet, ze gebeuren gewoon. “We hebben er geen zeggenschap over of ons lichaam wel of niet ziek wordt, maar onze opvattingen en oordelen over het feit dat we ziek worden, liggen wel in onze macht. Of we boos, verdrietig, geïrriteerd of blij zijn, is volgens Epictetus een keuze, die we maken op rationele basis.”

Een prachtige stoïsche houding

Conclusie: richt je niet op wat er buiten je gebeurt, maar op je houding ten opzichte van wat er gebeurt. Dat zegt ook ondernemer en oud-topschaatser Mark Tuitert. Hij is tijdens zijn sportcarrière al geholpen door de stoïcijnse filosofie. Tuitert: “De factoren van buitenaf moet je naast je neerleggen. Dat gaf me toen – en nu nog steeds – heel veel rust.”

Hoe werkt dat dan met die factoren van buitenaf? Een voorbeeld: stel ik krijg kanker, de kans reëel, 33 procent. Als ik ertoe in staat zou zijn, lijkt het me raadzaam om op het gegeven dat ik kanker heb stoïsch te reageren, en niet zoals Lance Armstrong er de strijd mee aan te gaan, want dit helpt je genezing niet en is veroordelend voor degenen die aan kanker overlijden: niet hard genoeg gestreden. Iemand die dit voorbeeldig gedaan heeft, is de Elfstedenzwemmer Maarten van der Weijden: “Kanker is geen strijd die je wint of verliest. (…) Ik heb gewoon geluk gehad, that’s it.” Dit lijkt me een prachtige stoïsche houding.  Van der Weijden overleefde en is voor velen van ons een voorbeeld.

De kans dat ik, in ieder geval tijdelijk, de ziekte overleef, is afgelopen 60 jaar gestegen van 25% naar 65%. Er is dus ook een reële kans dat ik opnieuw ga werken. Hoe ga ik hiermee om?

Van werknemers die terugkeren op de arbeidsvloer is bekend dat hun energiebalans sterk wisselt, de ene dag voelen ze zich als vanouds, de volgende dag stort het dak volkomen in. Dat is lastig werken, voor jezelf maar ook voor je leidinggevende. Wat heeft de organisatie nog aan jou? Hier heb jij geen zeggenschap over. Maar betekent dit dat je deze wisselende energiebalans net zo moet accepteren als de ziekte of dat je hiermee aan de slag moet? Je kunt hier bijvoorbeeld in een gesprek met je leidinggevende op anticiperen: ‘Houd er rekening mee dat…’

Dit gesprek zou weleens geen sinecure kunnen zijn

Die leidinggevende zou nog met meer rekening kunnen, bijvoorbeeld met het gegeven dat mensen die terugkeren na een ernstige ziekte heftig reageren op prikkels, op geur, maar vooral op geluid. Vorige week schreef deze krant dat werken in een kantoortuin voor gezonde werknemers al buitengewoon belastend is; deze kantoortuin is voor een revaliderende patiënt niets minder dan de hel.

Stel dat ik deze hel zou overleven, wat moet ik er dan dóen? Hetzelfde als ik deed voordat ik ziek werd? Dat gaat vaak nog niet. Moet ik stoïcijns accepteren dat ik niet meer kan wat ik kon, of kan ik met mijn leidinggevende op zoek naar wat de mogelijkheden nog wel zijn? Is mijn leidinggevende in staat een dergelijk gesprek te voeren? En zo niet, moet ik dat accepteren of een andere oplossing zoeken?

Dit gesprek zou weleens geen sinecure kunnen zijn, want de targets waar leidinggevenden afgelopen decennia op gericht waren, lagen niet op het vlak van mijn terugkeer. Het vergt een lange adem, en veel doorzettingsvermogen voordat ik het juiste gesprek hierover heb gevoerd. Niet te pessimistisch, denk ik, het lukt me echt.

Maar dan, dan zit ik daar, eindelijk, en dan moet ik toegeven dat de doelen waarvoor ik me decennia lang heb ingezet me op dit moment geen snars interesseren. Het uitzicht op de dood heeft mijn zicht op het leven danig veranderd. Moet ik daarmee aan de slag of het accepteren als fait accompli? Wat zou Tuitert zeggen? De classicus Boter: “Sartre zei ooit: ‘De hel, dat zijn de anderen’. Epictetus zou zeggen: ‘De hel, dat ben je zelf.’ 

De dagelijkse praktijk is weerbarstiger dan de filosofie. Want nogal wat factoren lijken toch echt van buitenaf te komen: ziekte, de kantoortuin, de weinig empathische manager, de doelen van de organisatie. Welke leg je nu naast je neer, en welke pertinent niet? Ligt de hel in jou of toch buiten jou?

Zingeven of zin maken is naar mijn overtuiging uitvinden wat je kan veranderen en wat niet. Dat is niet makkelijk, kiezen voor de stoïcijnse oplossing lijkt aantrekkelijk. Maar kans is groot dat ik dan voor de rest van mijn carrière langs de kant sta.  Dat zou me best veel rust kunnen geven, maar ik vraag me wel af of ik daar gelukkig van word of er juist door in de hel beland.

gezonde zin

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.