De ‘incidentele thuiswerker’ heeft een zingevingsprobleem

‘Thuiswerker is vaak overwerkt’, kopte Trouw. Een merkwaardige en ook wel treurige constatering. Jarenlang hebben werkgevers en werknemers ervoor gepleit flexibeler om te gaan met werktijden en werkplaatsen, omdat je soms voor een ziek kind moet zorgen of een kind naar zwemles moet brengen. En dat kan nu eenmaal beter vanuit huis dan vanuit kantoor. Het streven naar flexibiliteit mondde op 1 januari 2016 uit in de ‘Wet flexibel werken’. En dan nu, een jaartje later, zou die thuiswerker overwerkt raken?

Wat is er aan de hand? Even naar het rapport van het CBS, dat in januari 2017 verscheen en waarop Trouw zich baseerde. Nederland telde in 2015 bijna 8,3 miljoen werknemers en zelfstandigen. Bijna 3 miljoen van hen werken thuis. Van deze thuiswerkers geeft 62 procent aan dit incidenteel te doen, terwijl 38 procent gewoonlijk thuiswerkt.

De kop uit Trouw gaat over deze ‘incidentele thuiswerkers’, want zij ervaren een relatief hoge werkdruk. Dat geldt zowel voor werknemers als voor zelfstandigen die soms thuiswerken. Zij werken ook vaker over dan werknemers die gewoonlijk thuiswerken of niet thuiswerken. En als klap op de vuurpijl: het is niet meer zo dat het gezin wel vaart bij thuiswerken, integendeel, zo constateert het CBS: bij deze incidentele thuiswerker heeft het werk in het algemeen minder te lijden onder familieactiviteiten dan de familie onder het werk.

Als dit waar is, heeft de wal het schip vrij rap gekeerd. Vanuit zingevingsperspectief gebeurt hier iets interessants. Naar alle waarschijnlijkheid zal het zinnelijke, het lekkere, niet lijden onder dit thuiswerken. Ook het zintuiglijke, het esthetische moet thuis toch goed te regelen zijn, en als je je werk zinvol vindt, verliest dat werk zijn zin niet als je het incidenteel thuis verricht.

Het probleem van de ‘incidentele thuiswerker’ zit in de derde betekenis van zingeven: het rationale aspect, dat gaat over definiëring en herdefiniëring van werk. Kennelijk weet de incidentele thuiswerker niet goed genoeg wat er van hem verwacht wordt, wat hij in de uren die hij thuis werkt moet doen, en niet hoeft te doen. Deze onduidelijkheid is een zingevingsprobleem, het is letterlijk bezinning.

Als deze incidentele thuiswerker dit probleem zou oplossen, zou hij juist meer tijd dan minder tijd voor zijn gezin krijgen. Want de thuiswerkers geven allemaal aan dat thuiswerken wel effectief is. Als je even op wilt schieten en niet wilt worden afgeleid voor collega’s, moet je dat thuis doen.

Het probleem van de thuiswerker is een variant op een sociologisch verschijnsel dat zich bij veel technologische vernieuwingen afspeelt: bij de introductie van de wasmachine leek de huisvrouw een zee van tijd te krijgen, na een paar jaar had de huisvrouw het drukker gekregen. Ligt dit aan de wasmachine? Nee, aan het aantal keer dat er nu kennelijk gewassen moet worden.

Ligt de overwerktheid aan het thuiswerken? Nee, het gaat om een verkeerde toepassing ervan. Gooi nu niet het kind met het badwater weg. Thuiswerken is niet de oorzaak van overwerktheid. Het probleem zit bij de taakopvatting van de thuiswerker. Als hij zich expliciet met zijn leidinggevende bezint op zijn werk, zijn opdrachten, zijn taken zal hij echt niet hoeven overwerken. Hij zal tijd besparen en eerder onderwerken dan overwerken. Zou hij daar ook problemen mee kunnen krijgen?

Z3 Zinrijk, Zin in werk

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.