De invulling van ons werk is op het randje van zinloos geworden

Gesprek met psychoanalyticus Paul Verhaeghe

In december 2015 maakte psychoanalyticus Paul Verhaeghe deel uit van een rondetafelconferentie op het paleis in Brussel. De Belgische koning en koningin hadden zes experts uitgenodigd hun visie op burn-out te geven. Op basis van onderzoek en klinische ervaring waren de experts er allen van overtuigd dat de problemen met uitval structureel zijn en te maken hebben met de arbeidsorganisatie binnen een ruimere maatschappelijke context. Paul Verhaeghe: ‘Het is nodig die open deur in te schoppen omdat op de werkvloer het idee blijft bestaan dat burn-out een individueel probleem is.’

Slachtoffers van burn-out, zo verwoordt Verhaeghe de nog steeds heersende misvatting, zouden mensen zijn met weinig draagkracht. ‘Zo’n mening wordt snel een beschuldiging: niet flink genoeg. En met het huidige rechtse, politieke klimaat in Vlaanderen wordt men al snel beschuldigd een profiteur te zijn die lekker thuiszit.’

Langzamerhand komt er nu wel een kentering en begint men in te zien dat het om een structureel probleem gaat. Verhaeghe: ‘Wat er niet volgt, zo constateerden we ook op die rondetafelconferentie met onze vorst, is dat een structureel probleem gediend is bij een structurele aanpak. Zoals de publieke opinie nog steeds geneigd is de oorzaak van burn-out bij het individu te leggen, zo is ook de behandeling en begeleiding van mensen met burn-out nog steeds op het individu toegespitst.’

‘De vertegenwoordigers van het bedrijfsleven aan de rondetafelconferentie in Brussel bevestigen dit: de verantwoordelijkheid voor uitval, ziekte en herintreding bij burn-out ligt bij het individu. Dat is vreemd, want ook bedrijven zouden zeer gebaat zijn bij lagere uitvalcijfers en dus bij een structurele aanpak. Ze hebben dan minder zieken, meer gemotiveerde werknemers, hogere productiviteit, hogere efficiëntie, kortom: meer winst.’  

Waar wachten ze op?

‘Op een andere tijdsgeest. Want die andere arbeidsorganisatie vraagt meer vertrouwen in de werknemer, vraagt om een minder gelaagde organisatie, om vermindering van regelgeving, om de toelating van meer autonomie op de werkvloer. Die vereisten gaan in tegen de heersende trend: meer regelgeving en minder autonomie.’

Burn-out heeft toch met hard werken te maken en niet met regelgeving?

‘Toch wel. Als mensen steeds minder vertrouwen hebben in steeds meer leidinggevenden die steeds meer regels opleggen waarbij steeds minder aan de inventiviteit van de werknemer wordt overgelaten, zorgt dat voor frustratie. 

Voeg daar nog bij: de steeds verder doorgevoerde individualisering, waardoor mensen naast elkaar maar los van elkaar werken, en er ontstaat een neerwaartse spiraal, waaruit nauwelijks een weg omhoog te vinden lijkt.’

Heeft die spiraal te maken met zingeving?            

‘Zonder de minste twijfel.’

Kan zingeving erbij helpen deze negatieve spiraal te doorbreken?

‘Zeker. Maar dan moet je er wel van uitgaan dat zingeving of zinverlening haaks staat op individualisering.’

Waarom?

‘Mensen ervaren hun werk niet meer als zinvol omdat het steeds meer verbrokkeld raakt en zij geen eindverantwoordelijkheid meer dragen. Een journalist die een verhaal maakt voor de krant kan zijn verhaal later als geheel product lezen. Hij is een uitzondering geworden. Het merendeel van de mensen heeft geen baan meer waarbij hij of zij verantwoordelijk is voor een afzonderlijk product. Het verlies aan verantwoordelijkheid over een geheel, in combinatie met individualisering leidt tot zinverlies.’

Zinverlies, is dat iets wat speelt sinds de toename van alle burn-outs?

‘Nee. Ik ben nu ruim veertig jaar psychotherapeut, en het probleem van zinverlies duikt om de zoveel tijd op. 

Aanvankelijk dacht ik daar heel naïef over. Onze generatie, meende ik, had vroeger zingeving gehaald uit religie, of anders wel uit een bepaalde ideologie. Op een bepaald ogenblik hebben we dat allemaal bij het groot-huisvuil gezet. Dat noemen we het einde van de grote verhalen. We kregen daardoor meer vrijheid en autonomie. En toen dook daar het thema zinverlies op. We hebben die vrijheid nu, dacht ik, doe er iets mee, in plaats van te janken dat we iets kwijt zijn dat we juist kwijt wilden. Dat was naïef, die vrijheid zorgde voor een enorme individualisering, het zette ons apart, zonder dat we daarbij de beoogde autonomie behielden.’  

Wat is het verschil tussen vrijheid en autonomie?

‘Nederlanders staan op zijn zachtst uitgedrukt ambivalent tegenover autoriteit en autonomie. Jullie denken zelfstandig te zijn, wars van autoriteit, maar al die eigen meningen zitten gevangen in een strak keurslijf.’

“Als ik van collega’s hoor hoe de Nederlandse zorgsector overgereglementeerd is, waardoor de eigenlijke zorg ernstig in het gedrang komt, dan vraag ik mij af waarom al die mondige Nederlanders dat toegelaten hebben?”

Wij, Nederlanders, in een strak keurslijf?

‘Ik begrijp dat u verrast bent. Toen ik nog niet zo lang geleden op regelmatige basis naar Nederland begon te komen, was het eerste wat mij opviel inderdaad de vaak verfrissende mondigheid in combinatie met een veronderstelde vrijheid. Maar het heeft niet lang geduurd vooraleer ik ontdekte dat Nederlanders zeer gezagsgetrouw zijn.

Een voorbeeld. Vanuit de Angelsaksische wereld is het psychotherapeutisch en medisch werken met protocollen steeds meer een verplichting geworden. In de praktijk werken die vaak niet, en zal een ervaren therapeut daarvan afwijken. Een paar jaar terug zag ik op de boekenstand bij het jaarlijkse congres voor de Nederlandse vereniging voor psychiatrie een handleiding liggen met de titel Richtlijnen om af te wijken van de richtlijnen. Als ik van collega’s hoor hoe de Nederlandse zorgsector overgereglementeerd is, waardoor de eigenlijke zorg heel ernstig in het gedrang komt, dan vraag ik mij af waarom al die mondige Nederlanders dat toegelaten hebben?’

Is dat typisch iets voor Nederland?

‘Nee, het is iets voor de westerse maatschappij, maar jullie Nederlanders hebben wel heel sterk het idee vrij en autonoom te zijn. Het is een illusie. Zoals de Poolse filosoof Leszek Kołakowski zei: “Nooit zijn we zo vrij geweest en nooit hebben we ons zo machteloos gevoeld.” Dat vind ik een prachtige uitspraak.

Autonoom betekent dat je over een aantal velden van je privéleven zelf kunt beslissen. Dat kunnen we steeds minder. Overal zijn er regeltjes voor, die uiteindelijk niet alleen ons handelen maar ook ons denken beperken.’

Hoezeer ons denken?

‘Ander voorbeeld: iedereen moet het tegenwoordig druk hebben; heb je het niet druk, dan wringt er iets. Dan heb je te weinig succes. En succes is de graadmeter van zinvolheid. En die graadmeter is zeer oppervlakkig en kwetsbaar, want kan zo, door anderen aangetast worden. Het is een vorm van zingeving die niet gedragen wordt.’

“Taal is alleen maar zinvol op het ogenblik dat de betekenis ervan gedragen wordt door een groep”

Gedragen? Hoe moet je zingeving dragen?

‘Ik ben opgeleid als lacaniaanse psychoanalyticus. Dat betekent dat voor mij taal erg belangrijk is. Taal, identiteit en subjectiviteit vallen samen.

Taal is alleen maar zinvol op het ogenblik dat de betekenis ervan gedragen wordt door een groep. Stuit je bij iemand op een taal die alleen voor één individu opgaat, dan spreken we over waanzin, en hebben we te maken met een psychose – een van de ernstigste vormen van mentale stoornissen.

 Binnen een normale situatie wordt de betekenis van taal gedragen door een collectief. Dat geldt ook voor zinverlening, dat is ook iets dat gedragen moet worden.

Nu kom ik terug bij mijn kritiek van dertig jaar geleden. Toen zei ik: zeur niet en zorg zelf voor je zingeving. Nu besef ik dat dat eigenlijk niet kan. Zingeving is iets wat je met anderen doet, met minstens drie mensen, die zich inzetten voor een bepaald doel. Dat heeft te maken met gedeelde symbolen, gedeelde woorden, gedeelde taal. Dat kan over werk gaan, maar ook over iets anders.’

Laten we ons nu beperken tot werk. Gude begint bij de zingeving van werk bij het lichamelijke, lijfelijke.

‘Het lichaam is het begin van alles. En het is ook het einde van alles. Onze existentie zit daaraan gekoppeld. Tot een tijdje na onze geboorte zijn wij ons lichaam. Vanaf het moment dat we passief taalgevoel gaan ontwikkelen, en dat is al na een aantal maanden, vindt er een splitsing plaats: we zijn niet langer ons lichaam, we hebben een lichaam. Maar de vraag is: wie heeft er wie? Heb ik een lichaam of heeft mijn lichaam plotseling een “ik” gekregen? Ongeacht het antwoord op die vraag: er is een kloof ontstaan, en wij moeten aan dat lijf zin gaan geven.’

“We zijn niet langer ons lichaam, we hebben een lichaam. En wij moeten aan dat lijf zin gaan geven”

Er zin in hebben heeft ook volgens René Gude in eerste instantie een lichamelijke betekenis. Hij noemt het ook wel het lekkere of het lustvolle. ‘Het Lustvolle is fundamenteel, in de letterlijke betekenis. Alle projecten beginnen bij de lustgevoelens van de deelnemers of lopen stuk op onlustgevoelens. Lust is de vitale bron, zonder trek gebeurt er niets.’[i]Net als bij Verhaeghe begint volgens Gude elk project bij het Lustvolle. Sterker nog, dat geldt voor ons hele leven. ‘Mensen komen ter wereld als lustige wolballetjes. Die zinnelijkheid wordt beetje bij beetje door anderen in banen geleid. Cultivering en civilisering, waarbij de volwassene wikt en de kleine toch altijd beschikt. Die wikkende volwassenen kunnen pas beginnen als de zintuigen, het verstand en uiteindelijk de wil zich bij het nageslacht geleidelijk aan melden.’[ii]

Hoe doen wij dat?

‘De westerse traditie kent niet alleen een breuk tussen lichaam en “ik”, ook wel geest genoemd, maar kent zelfs een oppositie tussen die twee. In zowel de protestantse als de katholieke traditie moet het lichaam bevochten worden. Terwijl het lichaam juist de basis zou kunnen zijn van zingeving en zinverlening.’

Lichaam en ‘ik’ zouden weer samen moeten vallen?

‘Dat lukt nooit. Het is al mooi als we overeen kunnen komen met dat lijfelijke in ons.  Tot pakweg 1970 bestond het lichaam uitdrukkelijk binnen een verbodscultuur: gij zult niet. Ik heb die opvoeding nog ten volle meegemaakt. Als ik eraan terugdenk hoe alles van het lichamelijke verboden was – vreselijk. Binnen een aantal jaar is die houding gekanteld in haar tegendeel: gij zult genieten. Die verplichting is zo massief geworden dat zij allesbehalve genotvol is. In mijn boek Identiteit staat de zin “We genieten ons te pletter, maar niemand is gelukkig”. Die zin riep bij veel lezers herkenning op.’

Hoe kan dat?

‘Omdat we een verkeerde invulling geven aan genot. We verwarren genot met consumptie en overmaat. De overgang van extreem verbod naar extreme verplichting beschouw ik als een oversprongbeweging.’

Wat er tussen zat hebben we vergeten.

‘Nee, vergeten is niet het juiste woord, het gaat over een ontkenning.’

Wat ontkennen we?

‘Het tekort. Er is altijd iets wat ontbreekt, dat kan niet anders. Iets waardoor we het geluk, de schoonheid, nooit ten volle kunnen realiseren en troost nodig wordt. Dat iets is terug te voeren op het lichaam, dat we hebben maar waarmee we nooit meer één worden. Dat tekort, de kloof tussen een lichaam hebben en zijn, is meteen ook de basis van alle creativiteit.          

In de verplichting te genieten wordt dat tekort ontkend. Is perfect genot mogelijk? In de heersende, dominante genotscultuur beweert men van wel. Is een perfecte relatie mogelijk? Perfecte seksualiteit? Een perfecte opvoeding? Is een perfect beroep mogelijk? Alles kan perfect zijn, stelt de huidige cultuur, als je maar de juiste keuzes maakt en de juiste trainingen volgt.’

In het bedrijfsleven worden werknemers afgerekend op targets die wel gehaald moeten worden.

Precies die opvatting draagt bij tot de stijging van burn-out: de overtuiging dat alles beheersbaar is, dat een steeds hogere perfectie inderdaad bereikbaar is.’

Dat is niet zo?

Nee, er zal altijd iets ontbreken. De ontkenning van dat tekort, met als gevolg tal van teleurstellingen, zorgt voor zinverlies. Wil je daarop anticiperen, dan zul je dat tekort moeten accepteren en ermee aan het werk gaan.’

Hoe moet dat?

‘Zinverlening heeft vaak te maken met iets wat in de verte geplaatst wordt: daar willen we naartoe. We zullen het waarschijnlijk nooit helemaal bereiken, maar we willen er wel naartoe. En we willen er het liefst niet in ons eentje, maar met een aantal mensen naartoe. Onderweg maken we een aantal dingen, die het leven mooi en zinvol maken. Zolang we beseffen dat we het doel waarschijnlijk nooit halen, maar dat het streven ernaar waardevol is, putten we uit die onderneming zin. Zodra het ons om het doel gaat dat we per se moeten halen, eindigt elke onderneming in een teleurstelling, en zinverlies.’

Het is aanlokkelijk zingeving als iets individueels te beschouwen, als zelfontplooiing. Daardoor wordt zingeving snel naar de privésfeer verbannen. Dat past bij de tijdgeest: vanaf de jaren tachtig waren de grote idealen, de grote verhalen verdacht. Net als zo’n beetje elk collectief. Gude: ‘Door het woord “collectief” in de ban te doen hebben we de traditionele clubvormingsprogramma’s omgevormd tot personal-fitnessprogramma’s. Zo dreigen we nu, uit vrees voor doorschietend collectivisme, vast te lopen in eenzijdig individualisme. Daarom hebben we behoefte aan een nieuwe definitie van zingeving, waarin de collectieven een rol spelen. Want als het,zoals nu, individueel te zwaar wordt, dan biedt coöperatie uitkomst.’[iii]

Naast het zinnelijke onderscheidt Gude het zintuiglijke, dat te maken heeft met schoonheid, esthetiek. ‘Wat je ziet, hoort, ruikt, is belangrijk voor ons gevoel van betekenisgeving, zingeving. Dergelijke ervaringen gun je iedereen op z’n werk.’ Volgens Paul Verhaeghe draait het bij het zintuiglijke niet alleen om een ervaring van schoonheid, maar vooral om zinverlening via taal, via het verhaal. Om duidelijk te maken wat het zintuiglijke met taal te maken heeft, vertelt Verhaeghe over zijn kleindochter van 19 maanden. ‘Zij is nu volop de wereld aan het verkennen. Wij kunnen ons niet meer voorstellen wat het voor een kind betekent zoveel indrukken binnen te krijgen. Ze begint nu ook actief taal te gebruiken. Een en ander hangt met elkaar samen: in haar perceptie wordt het zintuiglijke bestuurd door de taal. Met de taal maakt zij categorisaties van wat ze lekker vindt en niet lekker, wat ze mooi vindt en wat niet. Het zintuiglijke wordt zinverlenend door het filter van de taal. Het is ook geen toeval dat wij spreken over “zin-tuigen”. Ogen zijn een werktuig, een instrument om zin mee te verlenen. Zin of betekenis zit niet in een object, schoonheid zit niet in een gebouw, maar in de betekenis die wij eraan verlenen.’

Wat betekent dat voor ons werk?

‘Als zin in de interactie zit tussen wat wij waarnemen met alle mogelijke zintuigen en de betekenis die we eraan verlenen, is het belangrijk dat mensen opnieuw leren kijken. Dat gebeurt op veel herbronningsweekeindes, of cursussen.Je kunt je afvragen wat dat betekent, opnieuw leren kijken. Waarschijnlijk is het een poging weer te leren kijken als een tweejarige, die taal probeert te vinden voor de indrukken die op haar af komen. Belangrijke vragen daarbij zijn: wat zie je nu eigenlijk? Kun je eens beschrijven wat je ziet? Wat roept het op? Een soort associatie-experiment. Want datgene wat we zien krijgt betekenis doordat we het benoemen. 

“Mensen moeten opnieuw leren kijken. Als een tweejarige, die taal probeert te vinden voor de indrukken die op haar af komen”

Ik doe dit geregeld met studenten. “Denk eens na over het woord ‘hond’”, zeg ik hen. Je ziet ze vervolgens gaan denken. Na een tijdje leg ik hen uit dat de betekenis die zij aan het woord “hond” geven tot stand komt door een associatiereeks die gebaseerd is op hun ervaring: de hond thuis, de hond van grootvader, de hond die mij ooit gebeten heeft, de hond waarmee ik dagelijks wandel. De hond zit in een associatiereeks, die een negatieve of een positieve betekenis genereert. Niet het woord “hond”, maar de associatiereeks verleent betekenis.

Hetzelfde geldt voor de perceptie. Als wij iets zien, is het nog maar de vraag of we dat object zien of dat het object eigenlijk een vertrekpunt is voor een associatiereeks die tevoren al bestond. Als een man een vrouw ziet, wat ziet hij dan? Ziet hij die vrouw? Of is de vrouw aanleiding voor een associatiereeks, en is de betekenis van die vrouw afhankelijk van de moeder die hij meegemaakt heeft, afhankelijk van de liefdesgeschiedenis die hij of zij meegemaakt heeft enzovoorts, enzovoorts.’

En? Zie je die associatiereeks of zie je die vrouw?

‘Meestal zie je die vrouw niet, hoor, maar zie je die associatiereeks. Op grond van die associatiereeks reageer je op een bepaalde manier op die persoon. En in veel gevallen ga je daardoor uitlokken wat je eigenlijk al dacht. Leren kijken, los van een associatiereeks is verschrikkelijk moeilijk. We zien overeenkomstig onze verwachting. Dat te onderkennen is een bewustwordingsproces.

Het zintuiglijke aspect van zingeving heeft voor mij te maken met dit proces. Vragen daarbij zijn: wat zie je – en waarom? Wat hoor je – en waarom? Wat voel je – en waarom? Wat ruik je – en waarom? Kortom: wat ervaar je, en kun je achterhalen waar die ervaring vandaan komt, binnen welke associatiereeks ze staat?’ 

Gude spreekt in dit verband van associatiekunde. Dat doen niet alleen heel kleine kinderen, het is ook belangrijk voor scholieren. Gude: ‘Het zou zelfs kunnen blijken dat voor leerlingen het inzicht in de associaties – verbanden, sferen – waarin hij of zij is opgenomen, de eerste stap is om daar later een originele bijdrage aan te kunnen leveren. Het begrijpen van de soorten bindingen die mensen met anderen aangaan is een noodzakelijke weg naar zelfkennis. Zoals Alexis de Tocqueville het omschrijft: “Inzicht in associaties, ‘associatiekunde’ (‘l’art d’association’), is de moeder van alle ondernemingen, bestudeerd en toegepast door allen.”’[iv]

Is deze vorm van zingeving te gebruiken bij iets als burn-out?

‘Het is beter dit te praktiseren om een burn-out te voorkomen, maar ook als een burn-out heeft plaatsgevonden kan dit zeker helpen bij het herstel. Het meest cruciale bij een burn-out is het gevoel van regieverlies: niet jij handelt, maar er wordt gehandeld, en jij maakt daar deel van uit zonder er iets over te zeggen te hebben. Er wordt elders beslist over het doel van je handelen, en vaak heb je ook nauwelijks inbreng in de evaluatie.

De regie krijg je alleen maar terug door een combinatie van een andere arbeidsorganisatie, en een veranderde kijk op de werkelijkheid van onszelf en van het werk. Daarbij helpt de bewustwording van de betekenisverlening door die associatiereeksen. Zo kan het dat een bepaalde handeling, een bepaalde omgeving bij iemand angst uitlokt, telkens opnieuw. Uitgaande van die associatiereeks stel ik: deze angst ligt niet aan de handeling op zich, maar aan de associatiereeks die de handeling oproept. Als we in staat zijn die reeks te analyseren, lukt het je misschien de angst enigszins in te dammen of zelfs weg te nemen.’

Ook voor René Gude speelt de taal een belangrijke rol bij zingeving. Hij betrekt de taal bij zijn derde betekenis van zin: zinrijk. Gude: ‘Zin in werk ervaren we ook op meer begripsmatig niveau, op het gebied van de zinsbouw. We ervaren zin doordat we volzinnen maken, in staat zijn te verwoorden wat we beleven, ervaren, maken, doen. Dit is de meest letterlijke vorm van zingeving door betekenisgeving.’ 

Bij deze derde betekenis van zingeving heeft Verhaeghe de meeste bedenkingen. ‘Vanuit psychoanalytisch perspectief zijn volzinnen een beetje verdacht.’ Om duidelijk te maken wat hij tegen volzinnen heeft, gebruikt Verhaeghe het voorbeeld van een droom. ‘Je wordt ’s morgens wakker met een droom die om aandacht vraagt. Je overdenkt de droom, vertelt hem als het ware aan jezelf. Later bij de koffie dis je de droom op aan je vrouw. ’s Avonds in het café aan een vriend. Tijdens die drie verschillende momenten wordt het verhaal langzamerhand gesloten. De haperingen verdwijnen uit de droom, gaten worden toegedicht, en het verhaal gaat steeds meer uit volzinnen bestaan.

Maar door het feit dat die barstjes, de onvolkomenheden eruit zijn, wordt de droom eigenlijk een beetje vervalst. Vanuit dat standpunt bekeken heb ik liever minder volzinnen en meer zinnen die breuklijnen bevatten, waarover we een gesprek kunnen voeren. Stamelend formuleren wat je doet, of wat je zou moeten doen of willen doen, is naar mijn idee zinrijker dan in volzinnen over je werk praten. Maar ik deel wel de essentie van het zinrijke: proberen te verwoorden wat je doet, beleeft, ervaart, maakt. En deze verwoording maakt het mogelijk om antwoorden te geven op vragen als “Wie ben jij?”, in de hedendaagse taal “Wat doe jij?”.’

“Ik denk dat het belangrijk is stamelend, opnieuw leren te verwoorden wat jouw taak zou kunnen zijn”

Is dat belangrijk?

‘Ontzettend belangrijk, en juist bij deze vorm van zingeving speelt het autonomieverlies heel sterk: doordat werknemers steeds minder een heel product afleveren, en er steeds minder aan de inventiviteit van de werknemers wordt overgelaten, zijn ze ook niet goed in staat te verwoorden wat ze doen. Dat is een enorm verlies aan zingeving. Ik denk dat het belangrijk is stamelend opnieuw leren te verwoorden wat jouw taak zou kunnen zijn.’

Moet dat individueel?

‘Zeker niet alleen. In het begin van dit gesprek benadrukte ik dat burn-out een structureel probleem is, waarop we een structureel antwoord moeten proberen te formuleren. Structureel betekent: binnen een groter geheel.

Ik denk dat we ons als maatschappij of, iets kleiner, als bedrijf weer de vraag moeten stellen hoe we ons werk georganiseerd willen zien. Wat is de bedoeling van werk? Werk was ooit een middel, maar is een doel op zich geworden. We nemen nu op de koop toe dat de invulling ervan op het randje van zinloos is geworden. De Nederlandse werknemer is gemiddeld een kwart van zijn werktijd aan het vergaderen. Als je dan beseft dat loodgieters, bakkers fietsenmakers, schoonmakers en vele anderen vrij weinig vergaderen, is het niet gek te stellen dat mensen met een kantoorbaan ongeveer de helft van hun werktijd in vergadering zitten. En zij weten allemaal dat de meeste vergaderingen overbodig zijn en weinig meer opleveren dan frustratie omdat het eigenlijke werk lijdt onder deze vergadercultuur.

In de zorgsector bestaan enorme wachtlijsten, terwijl de professionals in de zorg de helft van hun werktijd in vergadering zijn. Maar je kiest niet voor een zorgberoep om uren per dag te vergaderen. Je kiest voor de zorg om met mensen te kunnen werken. Dat dit steeds minder kan, frustreert de werknemers in de zorg enorm. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer vergadertijd sterk wordt teruggedrongen iedereen gelukkiger is.’

Vast. Maar kan dat?

‘Door een samenloop van omstandigheden werd ik op mijn vijfentwintigste – ik was net afgestudeerd – min of meer tegen mijn zin diensthoofd van een centrum geestelijke gezondheidszorg. Er was toen nog veel minder administratie dan nu. Iedereen werkte met patiënten, en de collega’s zagen elkaar alleen op vrijdagochtend tijdens de teamvergadering. Die vergaderingen waren niet efficiënt en duurden de hele ochtend. Naar mijn idee hadden die vergaderingen vooral een sociale functie: de werknemers wilden met elkaar praten en de vergadering was een excuus dat te doen. Na twee weken heb ik voorgesteld de vergadering niet langer te beginnen om half negen maar om half elf, en te stoppen om stipt twaalf uur. Zo werd de vergadering met de helft bekort. Ik stelde ook voor daarna twee uur met elkaar te gaan lunchen, te kletsen over van alles en nog wat. Iedereen was akkoord. Ze doen het nu nog zo, dertig jaar later.’

Deze maatregel zou Gude enthousiast onder het zinnelijke plaatsen. Lunchen in plaats van vergaderen, en uiteindelijk geen minuut verliezen. Heerlijk.

‘Het is een combinatie van verschillende zingevende functies. Want het heeft ook te maken met het doel van het werk. En het doel in de zorgsector is niet vergaderen. Zonder gemeenschappelijk doel geen zinverlening. Werknemers worden tegenwoordig met lege mission statements om de oren geslagen, die in de meeste gevallen gebakken lucht zijn. Een gemeenschappelijk doel moet concreter zijn en bottom-up geformuleerd.

Een van de deelnemers aan die rondetafelconferentie was de Vlaamse ondernemer Wouter Torfs, directeur van een keten van 127 schoenwinkels in Vlaanderen. Hij is verschillende keren bekroond met “beste werkgever van België”. Zijn winkels worden gedragen door zelfsturende teams. Onder zijn personeel is weinig ziekteverzuim; burn-out komt er nauwelijks voor.  

Torfs noemde het zoeken naar en formuleren van het doel van een bedrijf zinverlenend. Om de zoveel tijd brengt hij leden van de zelfsturende teams bij elkaar om te brainstormen over de vragen als: waar willen we met de winkels naartoe? Wat is voor de werknemers belangrijk? Wat zijn de waarden waarmee jullie willen werken? Hij laat de werknemers deze vragen beantwoorden.

Torfs vertelde dat hem vooral het uitblijven van het Engels was opgevallen. Er kwamen geen managementtermen op tafel, maar zaken waar mensen achter staan, en die ze samen willen realiseren. Zo ontstonden er doelen die bottom-up geformuleerd door groepjes van tien, twaalf man gedragen werden, en er hun eigen verhaal van konden maken.

Ik ken de uitkomsten van de gesprekken niet, maar ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat bij het maken en verkopen van schoenen het zinnelijke aspect aan bod komt, het lijfelijke, het lekkere, en dat het zintuiglijke aspect, schoonheid, er een rol bij speelt. En het zinrijke, de formuleerkwestie, is het uitgangspunt om met elkaar doelen te formuleren. Waarschijnlijk alleen niet in volzinnen, maar stamelend, op zoek naar de goede woorden.’ 


[i] Gude, R. & Steenhuis, P.H. (2015) Door het word/Door het beeld, p. 368.
[ii] Gude, R. (2016) Het agoramodel. De wereld is eenvoudiger dan je denkt, p. 112.

[[iii] Idem, p.104

[iv] Idem, p.100

Burn-out, Zin in werk

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.