Dit is niet mijn taal

In het oude Babel dachten ze een toren te kunnen bouwen waarvan de toren tot in de hemel zou reiken. De bouwers hoopten hier naam en faam mee te verwerven. Tot de god Jahwe ingreep , een spraakverwarring veroorzaakte onder de mensheid, die tot dan toe slechts één taal sprak. Hoewel we een aantal wereldtalen hebben gekregen, lijkt het of we sindsdien alleen maar meer talen zijn gaan spreken. Sterker nog, we lijken van Babel in Bubbel terecht te zijn gekomen. Iedereen zou, zo horen we steeds vaker, in zijn of haar eigen bubbel leven.

De bubbel is als verschijnsel niet nieuw, we kenden al langere tijd allerlei financiële bubbels. Het woord duidt op een bel die elk moment uit elkaar kan klappen en in de lucht kan verdwijnen. Maar zou het ook zo kunnen zijn, dat er in een huidige bubbel een taal bestaat die afgelopen decennia territoriumdrift heeft gekregen? Met die vraag onder de arm zijn we afgelopen jaren op reis gegaan in Bubbelonië.

Taal beschrijft de werkelijkheid. Denken we. Maar taal maakt die werkelijkheid ook. Volgens voormalig Denker des Vaderlands, René Gude, gebruiken we taal in vier verschillende sferen. De eerste is de privésfeer met vrienden, familie en het gezin, waarin we belangeloos met elkaar kletsen. Dan is de commerciële sfeer, waarin via een contract de prestaties en beloning zakelijk geregeld zijn. Deze sfeer noemt Gude vanwege de alliteratie de private sfeer. De derde is de maatschappelijke, publieke sfeer, waar je vrijwillig projecten kunt starten met mensen en voor mensen die je helemaal niet kent. Overleg staat hierin centraal. En ten slotte is er nog de politieke sfeer, waarin het draait om het debat. 

Gude stelt dat we de taal verleren om te spreken over gemeenschappelijke doelen, belangen en verantwoordelijkheden. “We hebben halverwege de vorige eeuw radicaal gebroken met het fenomeen ‘collectiefvorming’. De ontsporing van rechtse en linkse totalitaire collectieven heeft ertoe geleid dat we collectiefvorming tot nader order hebben opgeschort.”

In de tweede helft van de 20e eeuw is daardoor de aandacht geleidelijk van ‘solidair’ naar ‘solitair’ opgeschoven. Vanaf 1980 kwamen vrijheid en individuele ontplooiing in plaats van de idealen gelijkheid en broederschap. De heersende opvatting is dat een goede samenleving niet meer is dan een samenklontering van zoveel mogelijk excellerende individuen. Dit leidde tot wat Gude noemde de Wet van Schnabel: met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht. 

Het gevolg van deze ontwikkeling is volgens Gude, “dat bij een zo individualistisch mensbeeld iedereen de taal voor gemeenschappelijke doelen, belangen en verantwoordelijkheden verleert. Problemen worden dan gereduceerd tot particuliere doelen, belangen en verantwoordelijkheden.” (Gude, R. (2016) Het agoramodel. De wereld is eenvoudiger dan je denkt, p. 34.)

Dat wij die taal om te knutselen aan gemeenschappelijke doelen aan het verleren zijn, komt doordat één van die sferen waarin we taal gebruiken territoriumdrift heeft gekregen: de economische private sfeer van het neoliberale tijdperk dringt binnen in onze privé sfeer, maar ook in de publieke en politieke sfeer. Daardoor zijn talloze begrippen geannexeerd door de economie. Denk aan BV Nederland, flexibel, duurzame inzetbaarheid, vrijheid, autonoom, vitaal, polder, participatie, kosten, autoriteit, winst, commitment, respect, trots, discipline, integriteit, authenticiteit, betrokkenheid, commitment, maatschappelijke verantwoordelijkheid, empathie, respect, discipline, integriteit.

Willen we weer over gemeenschappelijke doelen gaan spreken, van solitair naar solidair gaan, dan dienen we ons bewust te worden dat onze taal geen sociolect maar een econolect geworden is.  

Het woord econolect hebben we gemunt als variant op bijvoorbeeld sociolect of dialect. Sociolect is een taalvariant die typerend is voor een bepaalde sociale groepering. Een dialect is een taalvariant die in een bepaald gebied gesproken wordt. Het econolect is lastiger, is niet vast te pinnen op een bepaalde groep of streek. Het is een taal die ontstaat in een maatschappij waarin alles economisch geworden is, afgerekend wordt op nut en rendement. Het econolect is dus geen lokale of sociale bubbel, het is geen kantoortaal, het zijn geen jeukwoorden, zoals Japke-d. Bouma die prachtig beschrijft in NRC-Handelsblad. Onder econolect verstaan we een taal die de dienstmaagd is geworden van de neoliberale economie.  

Tijdens ons onderzoek naar deze veranderende taal en de rol die taal speelt bij de manier waarop wij ons leven zin geven, hebben we verschillende experimenten gedaan. Een daarvan was met studenten en docenten van ROC Friese Poort. 

Voor we begonnen probeerde ik de deelnemers het belang van deze exercitie uit te leggen. Het spreekt namelijk niet vanzelf dat een dag kletsen over woordjes zinnig kan zijn. Ik verwees daarbij naar grote namen. Naar de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant, die opriep: ‘Durf te denken’. Kant had net zo goed kunnen zeggen: durf te formuleren, want denken gaat in woorden. Probeer het maar eens, even na te denken over ons land, en analyseer wat er in je hoofd gebeurt als je daarbij denkt aan het woord BV Nederland in plaats van het woord gemeenschap. En ik verwees naar een lezing die voormalig minister van onderwijs Jet Bussemaker in 2014 hield tijdens het symposium ‘Vaardigheden voor de toekomst’. Bussemaker brak destijds een lans voor onderwijs dat “creatieve, competente rebellen voortbrengt.”

Het kenmerk van een rebel is haar tegendraadsheid. Die uit een rebel in eerste instantie in woorden. Wil zo’n rebel zich kunnen verzetten tegen slaafse navolging, wil zij uit haar veilige bubbel kunnen breken, dan moet zij zich bewust worden van de woorden die zij gebruikt. Een creatieve, competente rebel is mondig, wat iets heel anders is dan assertief. Een rebel durft te denken, bijvoorbeeld over haar eigen toekomst, over de stress waarmee ze te maken zal krijgen, de werkdruk, de flexibiliteit die geëist zal worden, en die misschien wel meer van haar vergt dan ze wil – een rebel kan trouwens ook een hij zijn.    

Er gebeurde die dag bij ROC Friese Poort van allerlei moois, waarbij het mij opviel wat een prachtige gesprekken je met jongeren kunt voeren voor wie taal vaak abstract is en lastig – als je tenminste de tijd voor ze neemt. Eén meisje kon weinig met ons gesprek. Stress, concurrentie, prestatiemaatschappij? Ze haalde wat onverschillig maar ook verontschuldigend haar schouders op: “Ik heb hier geen mening over.”

“Waarom niet,” vroeg ik.

“Omdat ik er niets van weet.”

“Waarom niet?”

“Dit zijn gewoon niet mijn woorden.”

“Interesseert iets als stress je dan niet?”

“Niet echt.”

“Waarom niet?”

“Waarom wel? Ik moet gewoon zorgen dat ik niet gestrest raak.”

“Waarom niet?”

“Omdat ik dan niet meer zou kunnen werken. Dat lijkt me logisch.” 

In het verslag dat ik van de dag maakte, staat dit gesprekje niet vermeld. Het klonk ook weinig positief, en sloot naar mijn idee helemaal niet aan bij de wens van Bussemaker naar een creatieve, competente rebel.

Maar deze dialoog bleef wel in mijn hoofd hangen, en speelde op, toen ik in Groningen training gaf over zingeving, taal en werk. We voerden een gesprek over ‘de digitale leiband’; hoe vast zitten wij aan de digitale middelen die ons omringen, en wat doet dat met onze gezonde zin in werk? 

Op een gegeven moment nam een vrouw van begin twintig het woord. Zij was MBO opgeleid, en was naar eigen woorden, wat te jong op een leidinggevende functie terechtgekomen. De vrouw worstelde met de druk van digitale middelen. Ze sliep slecht, sliep wel in maar nadat ze tegen middernacht wakker werd, lag ze vervolgens uren te piekeren over de mensen die ze moest aansturen. Na wat omtrekkende bewegingen zei ze: “Elke nacht sta ik om twee uur op om mijn email te checken.” 

Het werd even stil in de zaal, wat moesten de anderen hierop zeggen? Een enkeling voelde de neiging te gaan lachen, maar hield zich in. ‘Omdat ik dan toch niet meer kan slapen,’ vervolgde ze, ‘kan ik er net zo goed uit gaan. Soms zie ik dan ’s nachts al wie zich ziekgemeld heeft, kan maatregelen nemen, waardoor ik ’s ochtends wat langer kan uitslapen. Hoop ik dan, hè.’

Of zij hier al eens over gesproken had met haar leidinggevende. Nee. Met collega’s. Nee. Of zij het idee had dat haar slapeloosheid met prestatiedruk en stress te maken had. Ze haalde haar schouders op. Of ze niet bang was of dit op den duur haar inzetbaarheid zou schaden? Weer die schouders. Toen zag ik de MBO-leerling uit Emmeloord voor me: dit zijn niet haar woorden, dit is niet haar taal, hier kan zij niets over zeggen. 

De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld, zei de twintigste-eeuwse Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein ooit. Wat de jonge studente van het ROC Friese Poort onmiskenbaar duidelijk maakte, was dat woorden als stress, concurrentie, selectie, prestatiedruk de grenzen van haar taal overschreden. En dan niet de grenzen van het Nederlands, maar de grenzen van de taal die zij in het dagelijks leven gebruikt. Dit was de taal van de private sfeer die haar privésfeer was binnengedrongen, en waar zij geen antwoord op wist te geven. Want het waren niet haar woorden. Dat zij zich hier op deze manier tegen verzette, was bij nader inzien wel degelijk rebels.  

Tijdens een lezing op een grote onderwijsconferentie in Den Haag noemde ik het voorbeeld van de studente in Emmeloord en de jonge vrouw met slapeloosheid uit Groningen. Ik vroeg de 300 aanwezige onderwijsmanagers wie met zijn studenten over dit soort begrippen praat. Wat betekent het voor een aanstaand verpleegster of zij met bewoners van een verpleegtehuis van doen heeft of met cliënten? Denken studenten erover na hoe flexibel zij zich willen opstellen als het gaat om werktijden? Hoe zij met de prestatiedruk omgaan? Aan hoeveel laten zij zich blootstellen? Welke keuzes willen zij maken? Weten zij eigenlijk dat er keuzes te maken zijn? Wie traint zijn studenten om op dit soort zingevingsvragen van de moderne samenleving een antwoord te leren vinden? 

Niemand stak zijn vinger op. 

Volgende vraag: wie vindt dat zijn studenten hierin getraind zouden moeten worden? Schoorvoetend gingen alle vingers de lucht in. 

Willen we bijdragen aan de Bildung, de vorming van een volgende generatie, dan zullen we ook moeten spreken over ons taalgebruik. Want scholen leiden dan wel op voor een samenleving die er nog niet is, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk graag benadrukt, we weten wel dat woorden de bouwstenen vormen van het verstand van een toekomstige generatie. En die bouwstenen zijn afgelopen decennia van kleur verschoten, ze zijn een stuk ‘blauwer’ geworden. 

Volgens Wittgenstein is taal niet langer slechts een afbeelding van de werkelijkheid, maar bevindt taal zich in de wereld, taal is iets wat we doen. Woorden krijgen pas betekenis in het gebruik ervan. Oftewel: met onze manier van spreken gaat een bepaalde werkelijkheid gepaard. Wittgenstein kwam zo aan het begin te staan van wat de linquistic turn in de filosofie genoemd wordt.

Sinds Wittgenstein ontdekken we steeds meer dat de zoektocht naar waarheid begint bij het bestuderen van taalgebruik. Taal is niet alleen een middel om iets voor elkaar te krijgen, maar creëert zelf betekenis, ‘maakt’ een wereld.

Willen we van solitair naar solidair dan zullen we, om de voorzitter van de SER, Mariëtte Hamer, “op zoek moeten naar een nieuwe taal.” 

Wij denken dat een nieuwe taal ontwikkelen nodig noch mogelijk is. We moeten onze eigen taal bekloppen, zoals de dichter Kouwenaar ooit zei, beluisteren, afstoffen, zodat we onze vage taal, die zich steeds sterker laat vormen door de private sfeer, opnieuw laden en klare taal krijgen waarmee we aan de slag kunnen in de privésfeer, de publieke sfeer en de politieke sfeer. Dat is afgelopen jaren het doel van Welkom in Bubbelonië geweest.   

Op tal van bijeenkomsten, tijdens lezingen, in de krant, in columns op diverse sites hebben we dit econolect ontleed. 

Niet omdat we taalpuristen zijn maar omdat we denken dat bewustwording van taalgebruik een eerste stap is om anders te gaan handelen, iets minder solitair, iets meer solidair. 

In “Dit is niet mijn taal” vindt u wat we tijdens onze reis gemaakt hebben: interviews, columns, verslagen en filmpjes. 

Peter Henk Steenhuis, Anneke Wilms, Jaap Jongejan, Wim Oolbekkink.    

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.