Nederland is geen bedrijf

René Gude gebruikte graag de ‘Wet van Schnabel’: met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht. Uit de vele onderzoeken die Paul Schnabel, van 1998 tot 2013 directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, presenteerde, kwam naar voren dat de Nederlander als individu tevreden was over zijn leven, maar zich zorgen maakte over veiligheid, politiek, toekomst.

Dat kwam volgens Gude doordat we onze opvattingen over goed en slecht, normen en waarden, onze zingeving in ons leven te individualistisch hebben ingezet. We zorgen ervoor dat we het zelf goed hebben, maar zijn ontevreden over het geheel, alsof we daar geen deel van uitmaken. In het boekje Het agoramodel. De wereld is eenvoudiger dan je denkt zegt Gude: ‘Als een samenleving, zelfs van mensen die het goed met elkaar voor hebben, niet als vanzelf een bestemming vindt, dan dienen zin, betekenis en doel collectief ter hand genomen te worden.’

Hoe doe je dat? Geen paniek, zo moeilijk is dat niet. Je moet om te beginnen inzien dat er niet zo heel veel te bestemmen is. Gude nam zichzelf als voorbeeld: ‘Als ik naar mijzelf kijk: ik neem maar aan vier soorten levenssferen deel. Ik stap ’s ochtends mijn huis uit en laat bij het tuinhek mijn privésfeer achter me. Ik ga het openbare leven in en dat doe ik om een van de volgende drie redenen: ik ga geld verdienen of geld uitgeven, ik ga me verenigen voor ondersteuning van een maatschappelijk doel of ik ga me met de politiek bemoeien.’

Hieruit concludeerde hij dat er vier levenssferen zijn: privé, daar leven we met onze familie, vrienden; privaat, waar we zakendoen, winkelen en produceren, waarin contracten worden afgesloten en worden nageleefd. Dan is er verder volgens Gude een publieke sfeer, een maatschappelijke sfeer zo je wilt, waarin een hoge mate van vrijheid is. ‘Hier worden de belangen niet door economische overwegingen gestuurd en is alle omgang niet door politieke wetmatigheden dichtgetimmerd, maar kunnen mensen eigen initiatieven ontplooien die ze met elkaar doen. Initiatieven als verenigingen, stichtingen en vrijwilligerswerk vallen hier allemaal onder. Activiteiten die je niet op privébasis en niet omwille van het geld doet, en waar de politiek je niet toe dwingt.’ En tot slot bestaat er een politieke sfeer, ‘waarin een stad, natie of federatie een bepaalde politieke eenheid vormgeeft. Er is een bestuur dat de zaken volgens de politieke regels organiseert, door wetten te maken, wetten uit te voeren en recht te spreken.’

We hebben afgelopen decennia die vier sferen niet goed onderhouden. De privésfeer regelden we tamelijk goed – kijk naar de Wet van Schnabel. De private sfeer deed het zó goed dat we het nergens anders meer over hadden, maar de andere twee, de publieke sfeer en de politieke sfeer hebben we verwaarloosd.

Het is begrijpelijk dat we dat gedaan hebben. Gude: ‘In de tweede helft van de 20e eeuw is de aandacht geleidelijk van “solidair” naar “solitair” opgeschoven. Vanaf 1980 kwamen vrijheid en individuele ontplooiing in plaats van de idealen gelijkheid en broederschap. Sindsdien zijn zingeving aan collectieven en collectief zingeven van de baan.’

Uit vrees voor doorschietend collectivisme dreigen we nu vast te lopen in eenzijdig individualisme. ‘Daarom hebben we,’ stelt Gude, ‘behoefte aan een nieuwe definitie van zingeving, waarin de collectieven een rol spelen. Dit zijn activiteiten die je niet op privébasis en niet omwille van het geld doet, en waar de politiek je niet toe dwingt.’

Om die collectieven opnieuw te laden, is het zinnig de verschillende sferen uit elkaar te leren halen. En dat is eigenlijk heel simpel. In de privésfeer draait het om woorden als ‘thuis’, ‘geliefden’, ‘familie’, ‘vrienden’, ‘belangeloosheid’, ‘liefde’, ‘ongedwongenheid’, ‘lichamelijke dingen’, ‘intimiteit’, ‘zinnelijkheid’. In de private sfeer staan andere begrippen centraal. Bijvoorbeeld: ‘werk’, ‘geld’, ‘contract’, ‘prestatie’, ‘beloning’, ‘plicht’, ‘winkelen’, ‘produceren’, ‘consumeren’, ‘marktwerking’, ‘collega’s’, ‘eigenbelang’. In de publieke sfeer draait het om woorden als ‘maatschappelijke vrijheid’, ‘vrijwilligerswerk’, ‘stichtingen’, ‘enthousiasme’, ‘engagement’, ‘gemeenschappelijk belang’, ‘spontaan’. En in de politieke sfeer moet je denken aan termen als ‘bestuur’, ‘regel’, ‘bureaucratie’, ‘wetten’, ‘stemmen’, ‘instanties’, ‘algemeen belang’.

Als je aan de normen en waarden van onze collectieven wilt sleutelen, moet je eerst die verschillende sferen kunnen onderscheiden. Kijk naar de essentie ervan, hoe ze werken, wat de specifieke problemen en mogelijkheden zijn. Maar haal ze niet door elkaar. Gude: ‘Prima om eens te rekenen aan de politiek, maar het wordt gek als we het steeds maar over de BV Nederland hebben. In een BV gelden heel andere gewoonten dan in een staat. In een BV gaat het om geld, in de staat gaat het om de zorg voor de burger.’

Agora, Zin in taal

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.