‘Omgeven door alleen maar water voel ik eindelijk rust’

Margreet van Schie (61): ‘In het water staat de wereld even stil. Het water helpt mij met de ingewikkeldheid van de wereld om te gaan.’

“Ik loop een andere wereld in. Het is vandaag nog niet erg koud, het regent, dat wel. Er zijn nu, in het najaar, geen spelende kinderen meer, geen boten; er klinkt nergens ingeblikte muziek. Op het moment dat ik me laat vallen, echt ga zwemmen, ben ik alleen met het donkere water. Soms is er een meerkoet, nu zie ik er geen een. Boven me drijven donkere wolken. Ik ben alleen in het water, alleen mét dat water. Deze vorm van alleen-zijn, die niets met eenzaamheid te maken heeft, geeft me innerlijke rust, kracht, zodat ik me verbonden voel met alles. Ik word net zo stil als mijn omgeving.

“Ik ben een mens met een hoofd vol ideeën. Over mijn werk als docent blokfluit, als uitvoerend musicus, als islamspecialist. Ideeën om mijn huis nog gezelliger te maken, ideeën om met mijn kinderen of vriendinnen te doen. Ideeën over de problemen in de wereld. Ik lees of hoor maar iets, en hup, ik bedenk wat ik ermee kan. Dat hoort bij mij, ik kan mij niet heugen dat het anders was, en het is, meestal, fijn.

“Maar het zou ook fijn zijn als het soms even zou stoppen. Zelfs in mijn slaap lukt dat zelden. Soms in bed wil ik het licht uitdoen om te stoppen met lezen en dan merk ik dat het mijn eigen gedachten zijn die ik lees. Mijn boek had ik al lang weggelegd.

“En toen ging ik verhuizen naar een dorp in het Groene Hart. Dichtbij een stad, maar helemaal in de natuur, die vooral uit water bestaat. Nog in de periode dat mijn huis gebruiksklaar werd gemaakt, door ingehuurde werkers en door mijzelf, pakte ik soms mijn handdoekje, deed een badpak aan en ging zwemmen.

Het water is koud in januari, maar kou is gewoon iets anders dan warm

“Ik ervaar mijn werk als musicus lichamelijk. Heerlijk. Maar ik heb ook altijd pijn gehad, ik had vaak langdurige peesontstekingen. Vlak voor mijn examens op het conservatorium moest ik wel tien paracetamol op een dag slikken om te kunnen spelen. Vroeger was daar geen aandacht voor, in mijn jeugd ging het vooral om de mooiheid van de muziek. Zelf ­benadruk ik in lessen die ik geef het fysieke van de blokfluit. Er gaat lucht door de fluit. Voel de lucht! Een blokfluit heeft gaten, geen kleppen. Voel die gaten. Die nadruk op de ­fysieke kant van de blokfluit heeft ook met mijn eigen behoefte te maken. Ik wil niet slechts bezig zijn met de abstractie.

“Na een paar jaar alleen ’s zomers te hebben gezwommen, besloot ik op een zonnige novemberdag dat ik het jaar erop zou proberen langer door te zwemmen. Nu zwem ik het hele jaar. Het water is koud in januari, ijskoud soms zelfs. Maar kou is niet erg of naar. Kou is gewoon iets anders dan warm.

“Misschien is kou op een bepaalde manier juist lekker. Er is een overgang van in je eentje dat water ingaan naar het moment dat die verbondenheid met de natuur tot stand komt. Die verbondenheid voel ik niet met mijn geest, niet met mijn hersens, maar met mijn lichaam. Hoe kouder het is, hoe sneller die verbondenheid tot stand komt. Als het in de zomer comfortabel warm is, en er zwemmen ook nog anderen, dan ontstaat die verbondenheid niet. Dan heb ik gewoon lekker gezwommen.

“In die kou, of met harde wind, heb je het ­lichaam ook echt nodig. Vorig jaar winter stond er op een dag windkracht zeven en het was snijdend koud. Golven sloegen over me heen, ik moest maar vooruit zien te komen. Op zo’n moment ervaar je dat het lichaam het enige is dat je hebt. En dat wordt één met het woeste water, zonder er een gevecht mee te gaan leveren. 

Het water is geen vriend of vijand, het water vindt het goed dat ik er ben

“Zou ik dat doen, vechten, dan zou ik vooral moe worden en bang; zou ik misschien gaan inzien dat het gevaarlijk is om daar te zwemmen. Men waarschuwt mij hier ook vaak voor, maar daar wil ik niet over nadenken. Als het te golvig is, ga ik op mijn rug liggen, voel wat er gebeurt en kijk omhoog naar de wolkenlucht. Niet om iets te doen, die wolken zijn er gewoon. Ik geef me over aan de situatie: het water is geen vriend of vijand, het water vindt het goed dat ik er ben.

“Een paar maanden geleden zag ik op een mistige ochtend minstens honderd ooievaars in het water. Toen ik in het water stapte, vlogen zij allemaal op. Dat geluid in die stille wereld maakt mijn hoofd stil. Ik weet het niet, maar ik denk dat als er een God is, hij/zij/het deze stilte nodig heeft om zich te manifesteren. Verbonden worden met. Overgeven aan. Stilte. Manifesteren. Water. Het zijn religieuze termen, ik weet het. Wanneer ik mijn ervaring van in het water zijn probeer te omschrijven, vind ik het lastig dat ik als godsdienstwetenschapper geen onbeschreven blad ben.

“In het dagelijks leven kan de wereld mij overspoelen. Ik ben een krantenlezer, ik wil het allemaal weten; aan de andere kant: waarom, waarom? Al die problemen waar ik meestal niets aan kan doen, vind ik ingewikkeld en belastend. In het water staat de wereld even stil. Het water helpt mij met de ingewikkeldheid van de wereld om te gaan.

“Ik ben vaak moe. Als ik dan van mijn zwemmetje terugkom, voel ik me anders. Los van de wereld en toch meer verbonden dan ooit. Dan ben ik dat erge moeïge kwijt, dan kan ik weer lekker door.”

Zin in het alledaagse

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.