Tag: Buiten

Groentekweker

Wim Bijma; ‘Blij als ik kan oogsten? Nee. Oogsten is snijden.’

“Vanochtend heb ik eerst twintig minuten over de tuin gelopen, 340 meter heen en weer, om de veranderingen te zien. Alles gebeurt ‘s nachts. Vanmorgen zag ik de eerste Bull’s Blood, een speciale biet met vuurrood blad. Ik teel negen soorten kroten, maar deze teel ik alleen voor de salade. Daarom zaai ik ze dik, de plant heeft nauwelijks ruimte om onder de grond een biet te vormen. Alle kracht gaat naar het blad. Vanaf nu worden de bladeren elke ochtend groter, totdat ik ze over zes weken moet oogsten.

Op de kleuterschool had ik het al met school gehad. Rond mijn dertiende ging ik naar de tuinbouwschool: drie dagen school, drie dagen werken. Moest ik uit mijn hoofd leren wat er in zakjes kunstmest zat. Zinloos vond ik dat, het staat er toch op?

Ik teel organisch, zonder kunstmest. Bacteriën en warmte zorgen ervoor dat de stikstof uit de meststoffen die ik gebruik langzaam vrijkomt. Daardoor groeien de gewassen langzaam – één reden dat alles hier intens smaakt. Smaak heeft ook veel te maken met de grond, we telen op een uitgeveende polder. Er is hier miljoenen jaren moeras geweest. In deze bodem leeft van alles, schimmels – goede en kwade – aaltjes, die ook weer roofaaltjes aantrekken. Dat houdt elkaar mooi in evenwicht.

Ik lever aan toprestaurants. Het mooie is dat ik een eerlijke prijs voor mijn groentes kan krijgen. Bij mij kosten de tomaten meer dan in de winkel. Maar je krijgt er geen drie achter elkaar op, veel smaak verzadigt sneller. Op mijn tuin komen vrij veel koks, ze nemen hun leerlingen mee, die hier leren hoe de seizoenen in elkaar zitten. In Amsterdam stemt een restaurant zijn menu af op wat ik teel. Bellen ze: ‘Wanneer zijn er sperziebonen?’ Half juli. Kunnen ze er rekening mee houden.

Nu moet ik oogsten. Daar heb ik een hekel aan. Maar ’t moet, en het moet ’s ochtends. Dan hebben de planten hun energie nog. Van de nacht, van de dauw. Overdag zorgt de zon ervoor dat de planten veel vocht moeten verdampen, waardoor ze slap gaan hangen. Vandaag moet de rucola, een tere groente.

Het mooiste werk is het land klaarmaken, het zaaien, poten. Daar ga ik vanmiddag mee verder. Ik draag daarbij altijd klompen met plankjes eronder, om de grond niet te pletten, anders krijg je kuilen met ingeklonken aarde waar de regen in blijft staan. Je begint met een stuk zwarte grond, en na een paar uur zie je zo goed wat je gedaan hebt. Daar geniet ik nog steeds van, ook al doe ik dit werk al meer dan vijftig jaar.

Mijn collega’s zijn blij als ze kunnen oogsten, ik niet. Oogsten is snijden. Het is overdreven te zeggen dat ik daar pijn van in mijn hoofd krijg. Maar na het oogsten is mijn vergezicht weg, dan heb ik mijn schilderij vernield.”

Muskusrattenvanger

Ron Koopmans; ‘Zwaar werk, maar ik geniet van de vrijheid’

“Vanmorgen controleer ik de klemmen die ik gisteren geplaatst heb. Kijk, daar staan ze, aan de rand van de sloot. Je herkent ze aan de stokjes met het oranje uiteinde, die ik bij de klemmen plaats. De boskant van de sloot ligt hoger dan het weiland aan deze kant. Muskusratten hebben hoogte nodig om een hol te graven. De holen van een muskusrat hebben een waterslot. De ingang zit onder water, die zie je niet. Ze graven zich een weg omhoog, en zitten dan droog.

Ik beheer 960 kilometer watergang: grachten, sloten, kades van grachten en havens. Gemiddeld loop ik zo’n vijf, zes uur per dag te speuren naar ratten. Dat is zwaar, maar ik geniet elke dag van de vrijheid.

Hier zag ik van de week vreetsporen. In deze tijd van het jaar eten de muskusratten hoofdzakelijk de witte wortels van het riet. Die vreten ze onder het water af, de resten ervan gaan drijven. Zwanen vinden die wortels ook lekker. Het verschil is dat vogels het riet eruit trekken en muskusratten knagen. Ik zoek knaagsporen. En keutels, die zinken pas na verloop van tijd.

Deze klem staat nog gespannen. De twee pootjes van de val staan nog naast elkaar. Is de val gesprongen dan vormen de pootjes een V. En kan er een rat in zitten. Lang niet altijd. Het zijn slimme beestjes. Soms duwen ze een pluk riet in de klem, en zwemmen eromheen. Die krijg je met een klem dan ook bijna niet meer te pakken, alsof ze nu weten wat een klem is. Wil ik zo’n beest vangen, dan moet ik een ander soort klem gebruiken of met een fuik de hele sloot afzetten.

Toen ik hier van de week vreetsporen zag, ben ik het water ingegaan, en heb met de neus van mijn laarzen de hele wand afgevoeld. Bij elke gang zette ik een klem. Lang niet elk hol is bewoond. Het zijn bedrijvige beestjes, ze graven de hele dag, per jaar verzetten ze dertien kruiwagens grond.

Kijk, die klem is gesprongen. Ja, een muskusrat. Hier moet ik het water in. Het zijn mooie, aaibare beesten, heel anders dan bruine ratten. Ze zijn vegetarisch, verspreiden geen ziektes. Dit is een jonkie, wat minder dan een kilo schat ik. Het is een moertje, nog onbeslagen.

Ik vind het niet leuk muskusratten dood te maken. Maar ik weet wel dat ze weggevangen moeten worden. Het is een beestje dat ontzettend snel aanfokt. Loopt het uit de hand dan krijg je veel meer dierenleed. Ik vang per jaar zo’n tachtig muskusratten. Als je onder de honderd zit heb je je gebied onder controle.

Daar verderop is er nog één gesprongen. Je ziet de rat vanaf hier drijven. Ik ga er weer even in. Dit is een zwarte muskusrat, een mutant. Mooi zijn die. Een mannetje. Zou ik deze twee nu niet vangen, dan zijn het er over een jaar twintig, en over nog een jaar tweehonderd. En dan heb je een dot werk.”

Baggeraar

Marco Koopmans; ‘Op de bruggen ziet het vaak zwart van de mensen’

“Vanmorgen om zes uur zijn we bij dit rak in de Amsterdamse Prinsengracht begonnen. Omdat de stremming van de gracht om 13 uur vervalt, startten we hier wat vroeger dan gewoonlijk. De bewoners van de arken hebben een paar weken geleden een brief ontvangen waarin de gemeente schrijft dat hun woonboot een dag versleept moet worden. Ik probeer altijd een vertrouwensband met de bewoners op te bouwen, ze vertrouwen wel hun huis aan jou toe.

Dat was net geen punt. Toen we aankwamen, stapte de eigenaar met een broodje in zijn hand de deur uit. Kon hij eens mooi op tijd op z’n werk zijn. We hebben de boot ontkoppeld – riolering, gas, elektra, alles moet er af – en het ding naar de overkant van de gracht versleept.

Als voorman ben ik verantwoordelijk voor het werk. Ik zit meestal op de kraan. Mijn maat, met wie ik altijd samenwerk, staat in de stuurhut en vaart de boot naar de plaats waar we moeten baggeren. Tijdens het baggeren bestuurt hij de boot.

Voor ik begin peil ik de diepte. De peilstok is zo oud als het baggeren zelf. Ik gebruik hem altijd, de peilstok liegt nooit.

De kademuur is in orde. Daar kijk ik even naar voor ik begin. Ik bagger in een groot museum, dat is wat anders dan baggeren in een weiland. Loopt er een scheur in een kademuur, dan bestaat de kans dat de muur tijdens het baggeren in elkaar zakt.

Ik bedien de joysticks van de kraan. Om de knijper de bagger goed te laten ophalen, laat ik de kraan zakken, knikken, zwenken. Die drie handelingen voer ik tegelijk uit. Ben ik op de juiste plaats, dan knijp ik, haal de knijper omhoog en laat de bagger in een beunbak vallen. Omdat de bagger uit de gracht verontreinigd is, voeren we die straks af naar een bedrijf dat het verwerkt.

Altijd weer spannend wat je uit het water haalt: winkelwagentjes, fietsen, scooters, ijskasten, resten van Koninginnedag, kettingen van de gayparade. Tijdens het baggeren zien de bruggen vaak zwart van de mensen. Ons werk is iedere dag een optreden.

Vlak voor ik knijp, haal ik de knijper iets omhoog, anders help ik de bodemstructuur naar z’n mallemoer. De bodem van de gracht loopt schuin af, wij houden het talud in ere.

Omdat het moeilijk te zien is waar ik al geweest ben, verdeel ik het gebied dat ik moet baggeren in vakken. Aan de stand van de kraan op de boot zie ik welk vak klaar is en welk nog gedaan moet worden. Twijfel ik, dan haal ik de knijper een keer extra omhoog. Alleen water? Oh, al geweest.

Bijna klaar. Met de peilstok loop ik nog even de diepte na. De gracht is mooi op diepte: 2 meter 80 aan de kant van de vaargeul, en zeventig centimeter onder de wal.

We kunnen de ark terugleggen. Dan zie je pas hoe mooi opgeruimd de gracht nu is.”

Balkman

John van Schijndel; ‘Hoe beter de voorbereiding, hoe mooier de weg’

“Als balkman sta je achterop de balk, die aan de trekker is gemonteerd, de machine die de d.a.b.-deklaag aanbrengt. Dit is de laatste laag asfalt, daarna zit de reconstructie van deze weg erop.

Bij zo’n reconstructie frezen we eerst het oude asfalt eraf. Dan zetten de stratenmakers er nieuwe goten, banden en kolken in; nu de stoepranden, de trottoirs en de putten gemaakt zijn, is het onze beurt.

Vanmorgen heeft de kleefwagen een hechtlaag over het gefreesde asfalt gespoten. Vervolgens zijn we ‘stap’ gaan draaien. Dat is de onderlaag, waar meer grove stenen in zitten dan in de deklaag. Moeten we de hele weg ophogen – dat was hier niet nodig – dan beginnen we met profileren, dan leggen we een laag gebroken puin op het oppervlak.

Er zijn tegenwoordig wel honderd soorten asfalt. Heel wat anders dan toen ik begon, toen had je er niet meer dan vijf.

Achtentwintig jaar geleden ben ik de wegenbouw ingegaan. Door mijn broer, die nam me een keer mee. Van deze achtentwintig jaar ben ik achttien jaar asfalt-afwerker geweest. Daarna ben ik gestart als balkman.

Ik stel de balk in. Dit klinkt simpel maar de balk is een complex onderdeel van de machine waarmee je de dosering en de dikte van de asfaltlaag regelt. Hier draaien we nu vier centimeter. Het is een kwestie van goed blijven opletten en vooruitkijken. Kijk, daar verderop, daar zie je wat hoogteverschil in de weg. Geen gaten, maar ik moet de balk daar wel wat hoger stellen, zodat er op die plekken vijf of zes centimeter asfalt onder de balk doorstroomt.

Vandaag gaat het goed, hier laten we straks een mooi stukje weg achter. Gisteren hadden we een rotstuk. Vaak is het: ‘hoe beter de voorbereiding, hoe mooier de weg.’ We stuitten daar op een gegeven moment op een gat bij een bruggetje, dat ze met gebroken puin hadden moeten dichten. Dit was in de voorbereiding niet gebeurd. Nu moest de balk op twintig centimeter worden afgesteld, om dat gat helemaal te vullen. En het asfalt was ook half afgekoeld, waardoor het stugger te verwerken is, wat een minder mooi resultaat oplevert.

De balkman is een soort voorman van de ploeg. Hij bepaalt waar we beginnen, hoe we draaien. Ik ben eigenlijk niet iemand die graag voorop loopt, ik houd niet van commanderen, ik volg liever. Balkman zijn heeft ook z’n voordelen, ondanks mijn reuma kan ik aan het werk blijven omdat werken op de balk lichamelijk niet zo intensief is.

Het asfalt ligt er nu in. Hoewel mijn taak als balkman er nu op zit, pak ik een schep, ga mijn maten helpen met de afwerking. Deze laatste stap vind ik nog steeds het leukste werk: er met een hark en spade voor zorgen dat alle hoeken en gaten mooi dicht liggen, zodat we een mooi stukje glad werk afleveren.”

Stadsgids

Werner van der Meer; ‘Ik toon ze alles, ook de Wallen, zonder oordeel’

“‘Hier, aan uw rechterhand, ziet u een typisch voorbeeld van arbeiderswoningen uit jaren twintig, dertig van de vorige eeuw.’ Vandaag leid ik Peruanen rond. Eenvoudige mensen, dat zie je aan de gangbare, rustieke outfit, met die malle hoedjes. Maar als ik ze vertel over het kolonialisme weten ze er alles van, dat kennen ze van huis uit.

Ik begin de dag op de toeristenbus – nu zijn we in Amsterdam-Zuid. ‘Kijkt u vooral naar de kleine raampjes. Die zijn typisch voor deze architectuur: de arbeider moest binnen zitten, studeren, zich ontwikkelen.’

Straks maken we een rondvaart door de grachten. Laat ik ze de rijkdom van de burgercultuur zien, vertel over het verschil tussen onze geschiedenis en die van de ons omringende landen. Aan de grachten zie je niet de rijkdom van de adel, de kerk, de koning, geen pompa pompa gedecoreerde huizen. Soberheid is hier de essentie, maar achter die façade gaat een abundante rijkdom schuil.

Al veertig jaar gids ik in het Spaans, Duits, Engels. In het Frans doe ik het niet meer; Fransen lachen je uit als je een taalfoutje maakt. Vroeger liet ik toeristen alleen de toeristische hoogtepunten zien. Nu willen mensen alles weten over hoe onze maatschappij in elkaar zit. Vaak krijg ik de vraag wat die burgercultuur dan heeft opgeleverd. Met trots leg ik dan ons tolerante concept uit. Dat we nu in Amsterdam met 176 nationaliteiten samenleven, komt voort uit ons verleden. Het moet voor de autochtone zeventiende-eeuwse Amsterdammer ongelooflijk geweest zijn te moeten omgaan met talloze immigranten, die vanuit heel Europa naar de machtigste stad van de wereld kwamen. Nog steeds zijn we, ondanks kleine problemen, redelijk goed in staat samen te leven.

Ik laat ook de keerzijde van die open maatschappij zien. We eindigen altijd op de Wallen – met deze Peruanen straks ook. Waar gaat het liberale ideaal over in libertinage? Ik vel nooit een oordeel, ik toon ze onze maatschappij.

Daar zijn we nog niet. We richten ons nu op de Amsterdamse School. ‘Het valt pas op hoe vernieuwend deze sociale woningbouw is, als u ze zou vergelijken met, bijvoorbeeld, de leefomstandigheden van de arbeider in de mijnen in het Engelse Sheffield. Verschrikkelijk. Hier in Amsterdam besefte men dat alleen gezonde arbeiders goede arbeiders zijn. En dat gezondheid te maken had met je leefomgeving. Hier werd vormgegeven aan het ideaal van de verheffing van de arbeidersklasse. Misschien waren de architecten van de Amsterdamse school wat bedillerig, maar toch, revolutionair was het wel.’

Aan het einde van de dag sta ik niet bij de bus om tip te vangen. Daarvoor ben ik te oud. Maar het gebeurt me gelukkig vaak dat ze naar buiten komen, me een hand geven – zelfs de kritische, lastige Argentijnen die zo kunnen zeiken en rochelen – en zeggen: ‘Het was fantastisch, hartstikke bedankt.’ Ik heb ze een mooie dag bezorgd. Dat is een heerlijk besef.”

Veepedicure

Han de Leeuw; ‘Straks loopt ze weer net zo makkelijk als de andere’

“Op deze boerderij kom ik twee keer per jaar om preventief te kappen, zodat de koeien goed blijven lopen. De kunst van het kappen bestaat eruit om de natuurlijke posities van de klauwen te handhaven. De koe maakt zijn eigen schoenen. Zoals de vingers en de tenen bij de mens nagels krijgen, zo maken de klauwen van de koe hoorn. Omdat de koeien niet altijd buiten lopen, kunnen er problemen ontstaan; een bacteriële aandoening of een ontsteking, zoals bij deze koe.

De boer heeft deze koe apart gehouden omdat ze niet goed liep. Ze loopt nu de klauwverzorgingsbox in. Ze loopt zichzelf vast, en krijgt nu van achteren een beugel tegen zich aan. Om haar buik doe ik een riem, die steunt haar als ik de poten behandel. Ik begin achter. De linkerachterpoot trek ik met een haak omhoog, de koe komt nu eigenlijk in de riem te hangen. Het kappen doet haar geen pijn, sommige koeien raken wel wat gestrest.

Een koe heeft een binnen- en een buitenklauw. Bij de achterpoten van een koe ontstaat in de buitenklauwen vaak irritatie; bij de voorpoten in de binnenklauwen. Deze irritatie geeft hoornvorming, en dat moet gecorrigeerd worden met bekappen. Ik snijd de overtollige hoorn weg, bij deze koe doe ik het met een mes, straks, bij de koeien die niets mankeren gebeurt het machinaal. En dan vliegen de schilfers door de lucht. Ik zorg ervoor dat beide klauwen een evenwichtige belasting krijgen. In het buitenland kappen ze nogal eens hol; in Nederland kappen wij vlak, wij proberen elke vierkante centimeter draagvermogen van de koe te benutten.

Ik ben in 1978 begonnen met kappen. Ik was aangesloten bij de Coöperatie agrarische bedrijfsverzorging Nederland die ervoor zorgt dat een boer bij ziekte of een ongeluk snel een vervanger krijgt, zodat de bedrijfsvoering kan worden voortgezet. Ik was zo’n vervanger. Bijna alle vervangers ontwikkelen een specialisme voor de tijden dat ze niemand vervangen. Bij mij is kappen een dagtaak geworden, ik geef er ook les in.

Bij deze koe is de buitenklauw ontstoken tot op de lederhuid, de huid die het hoorn moet maken. Die ontsteking moet ik wegsnijden, vandaar dat het een beetje bloedt. Een koe kan niet in de ziektewet, zij moet blijven lopen. Om te voorkomen dat de klauw opnieuw ontsteekt, breng ik onder de binnenklauw een klosje aan, een verhoging, zodat de ontstoken buitenklauw ontzien wordt. Ik doe er een verbandje om, en klaar.

Soms hoor ik van boeren dat een koe als laatste in de melkput komt, maar dat ze, nadat ze gekapt is, ineens halverwege in de carrousel staat. Kennelijk loopt ze dan makkelijker. Dat geeft voldoening.

Over een week of drie is bij deze koe de ontsteking genezen, en kan het klosje er af. Dat loopt ze weer net zo makkelijk als de andere koeien hier.”

 ‘Ik zorg ervoor dat beide klauwen een evenwichtige belasting krijgen’

Verhuizer

Jos Janssen; ‘Dat puzzelen is de uitdaging’

“Wij zijn nu borden aan het inpakken. Glas, aardewerk, we pakken alles in. Papier zorgt ervoor dat die borden niet verschuiven. Dat is belangrijk, een verhuiswagen staat niet stil. Wat kan schuiven kan kapot. Eenmaal ingepakt zet ik de borden rechtop, naast elkaar in een doos. Ik wil de krachten verdelen, leg ik ze op elkaar dan gaat het onderste bord kapot.

Voor wij vanochtend begonnen, heb ik een rondje gemaakt door het huis. Dat doe ik altijd. Ik ben degene die de vrachtwagen inpakt, en tijdens zo’n rondje prent ik in mijn hoofd wat er waar in de wagen moet, zodat ik straks tegen de jongens kan zeggen: ‘Nu de tafel, nu de boekenkast.’

Het viel me op dat dit huis smalle ramen heeft. Kunnen we niets mee, alles moet via de trap naar beneden. Als je de grote zaken via het raam, en een steiger naar beneden kunt tillen, scheelt dat anderhalf uur.

Elke verhuizing is een puzzel. Dat puzzelen is de uitdaging. Ik ben bij dit bedrijf begonnen als chauffeur. Toen heb ik een keer een paar uurtjes geholpen bij een verhuizing. Een dag. Ze ontdekten dat ik goed kon laden. ‘Ga jij maar laden’, zeiden ze. Rijden doe ik ook nog, straks.

Voor mij zit de uitdaging in dat laden. Als de jongens zeggen: ‘Dit krijg je er niet in’, dan wil ik het erin krijgen. Ik begin dadelijk met die grote tafel. Radio, televisie, zo’n hoge vaas en die spiegel eronder. Die zijn dan beschermd. Als er iets omvalt kan het er nooit op vallen. Dan een slag dozen boven op de tafel. Volgt een deken. Daarna de bank en de stoelen, die kan ik in elkaar kantelen. Dan heb ik nog ongeveer dertig centimeter ruimte aan de bovenkant van de vrachtwagen. Daar past mooi een dik matras tussen. En als laatste, daar weer bovenop, het schilderij dat ik anders nergens kwijt kan, en dat kwetsbaar is. Leg ik het helemaal bovenop, dan is het ook beschermd.

Die boekenkast moet uit elkaar. Dat doe ik niet zelf. We hebben één jongen rondlopen, die alles stickert en uit elkaar haalt. De losse delen gaan als laatste in de vrachtwagen. En als eerste er weer uit, zodat hij de kasten in elkaar kan zetten in een leeg huis. Heeft hij de ruimte.

Dat dressoir kan in elkaar blijven, dat krijgen we wel door het trapportaal. De schappen haal ik eruit. De deurtjes zijn van glas. In zo’n dressoir schieten de schappen van los als je ermee gaat lopen. Dan klappen die tegen de glazen deurtjes, of de deurtjes vallen open en dan vallen de schappen eruit – kapot. Die deurtjes seal ik dicht. Vroeger gebruikten we voor allles plakband, maar als je dat lostrok nam je verf of het vineer mee. Dit is een speciaal soort folie, krimpfolie, dat plakt niet aan de verf maar wel aan zichzelf. Ideaal, daar gebruiken we rollen van.

Alles is ingepakt. Ik ga naar de wagen. Het laden kan beginnen.”

Wijkagent

Angelique Schouten; ‘Wij willen vóór het probleem zitten’

“Even kijken. Over dit zebrapad had ik laatst weer een klacht. Een paar jaar geleden is hier iemand bij een ongeluk om het leven gekomen. Toen is de verkeerssituatie aangepast, maar het zou hier nog steeds gevaarlijk zijn. Het is vreemd, er wordt hier niet te hard gereden, dat hebben we al gemeten.

Als wijkagent kan ik de situatie bij dit zebrapad niet aanpassen, ik heb geen borden in mijn zak. Wel kan ik constateren wat er aan de hand is, om dan samen met de gemeente een oplossing te zoeken. Het is nu mooi weer, waarschijnlijk is de situatie hier op een regenachtige dag vrij onoverzichtelijk. Daar moeten we iets op vinden.

Samenwerken met verschillende partners vind ik een van de mooie kanten van mijn beroep. Onlangs heb ik de winkeliers van het dorp bezocht om hen uitgenodigd voor het project ‘Afrekenen met winkeldief’, dat winkeliers stimuleert aangifte te doen. Straks ga ik nog naar de drie basisscholen, die bij elkaar in het dorp staan. Dat levert voordelen op, maar ook parkeerproblemen. Dat is vooral lastig voor een moeder die haar gehandicapte dochter nu vaak niet bij school kan afzetten.

Na jaren bij de recherche werken, koos ik voor een opleiding tot wijkagent. Dan zit je vóór het probleem, in plaats van erna. In januari heb ik mijn opleiding afgerond. Nu ben ik de enige wijkagent van de kern Nieuwkoop, een dorp met bijna 8700 inwoners.

Kijk, daar komt een meneer op me af.

‘Mag ik u iets vragen? Er is afgelopen jaren twee keer bij ons ingebroken. We zijn extra voorzichtig geworden. Net reed een onbekende auto twee keer langzaam door de straat. Dat vond ik verdacht.

‘Natuurlijk. Fijn. Heeft u het nummerbord opgeschreven?’

‘Ja. Ik heb het hier.’

‘De inzittenden, kunt u hen beschrijven?’

‘Gure types, tussen de 20 en 25.’

‘Heeft u uw telefoonnummer op het papiertje geschreven? Als u weer iets ziet, mag u gewoon 112 bellen.’

Een ontmoeting als deze typeert mijn werk, en is ook belangrijk. Als politie moeten wij het hebben van heterdaadsituaties.

Het liefst ben ik de hele dag op straat – lopend of op de fiets. Deze man spreekt me nu aan omdat ik te voet ben. Rijd ik in mijn auto dan is de afstand te groot; je houdt niet zomaar een politieauto aan. Daarom ga ik op zaterdag ook regelmatig naar de markt, dat is een knooppunt van informatiestromen. En daar kan ik ook veel oudere inwoners van Nieuwkoop spreken.

De gegevens van deze auto schrijf ik nu op in mijn notitieboekje. Aan het einde van de middag, op kantoor, leg ik alles vast in het politiesysteem. Dan zoek ik ook uit op wiens naam deze auto staat. Stel dat de eigenaar een keer is veroordeeld voor inbraak, dan kunnen we de auto in de gaten houden. Alleen dat zou al preventief kunnen werken.”

Loods

Roelof Favot; ‘Ik vaar niet, ik geef de koersadviezen’

“Ik vaar nu op een loodstender naar de City of Dubrovnik, die op volle zee wacht om de haven van IJmuiden te worden binnengeloodst. Op deze tender zitten een kapitein, een stuurman en een gezel. We komen langszij, de stuurman en gezel begeleiden me naar de loodsladder aan de lijzijde van de City of Dubrovnik. Als de tender wordt opgetild door een golf en ik denk ‘dit wordt hem’ klim ik de loodsladder op.

Morning Pilot. De stuurman en een paar matrozen begeleiden me naar de kapitein. Aan boord krijg ik een indruk hoe het schip gerund wordt. Door de crisis kiezen maatschappijen vaak voor goedkopere bemanning. We klimmen omhoog, het trappenhuis naar de brug is schoon.

Morning Captain. De hand die ik de kapitein geef is het begin van de vertrouwensband die er tussen ons moet ontstaan. Morning mr. Pilot. De kapitein blijft verantwoordelijk voor zijn schip, maar heeft mijn aanwijzingen nodig om goed in Amsterdam aan te komen. Ik houd rekening met culturen: een Filippijnse gezagvoerder laat zijn schip aan mij over, terwijl een Italiaan de touwtjes in handen houdt. Ik bestuur het schip niet, dat doet de stuurman van de wacht. Ik geef de koers- en vaaradviezen.

Slow ahead please. Ik vraag de kapitein rustig aan te doen, want we hebben nog niet genoeg water. De City of Dubrovnik is een Panamax, het grootste type schip dat nog door de sluizen van het Panamakaal kan varen, 225 meter lang, 32 breed, en 13,70 diep.

099. De roerganger herhaalt de koers. Kijk, zie je dat kleine en het grote witte licht? De vuurtorens van IJmuiden.

Het knelpunt voor deze reis is de diepte: 13,70 is de maximale diepte voor onze sluis. Over een half uur is het vloed en hebben we genoeg water. Ik bel de sluis, informeer de havendienst hoe laat we tussen de pieren zijn, en roep de sleepboten op.

De stroom zet ons wat naar het zuiden weg. Onze koers is daarom iets noordelijk. Ik loop naar buiten. Die wind, het uitzicht, het zonnetje dat doorbreekt. Hier doe je het voor. Straks heb ik een paar centimeter over om dit schip de Westhaven in te loodsen. Nu we dichter bij de haven komen, veranderen we naar roerhoekadviezen. Bakboord 10. Bakboord 20. De volgende lichtlijn komt te voorschijn. We draaien het Noorderkanaal in. Dead slow ahead please. We verminderen snelheid zodat de sleepboten aan de voor- en de achterkant van het schip kunnen worden vastgemaakt. De havendienst vaart langszij, zij controleren de diepgang. Of het schip niet stiekem dieper steekt dan 13,70. Dan moet er eerst gelost worden.

Via de portofoon geef ik de achterste sleepboot opdracht wat af te remmen. De haven-approach is uitgevoerd. We zijn tussen de pieren. Hierna gaan we de sluis in, en varen door naar Amsterdam.”

  • 1
  • 2

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.