Wie slechts vraagt naar vaardigheden vergeet ons voorstellingsvermogen

Baat het niet dan schaadt het niet, laten we beginnen met het vergroten van onze praktische vaardigheden. Dat stelde Hans Biesheuvel, voorzitter van Ondernemers Nederland,(ONL) in het Algemeen Dagblad aan het begin van de coronacrisis. “Als we de steunmaatregelen omzetten naar investeringen in vaardigheden, is het nooit weggegooid geld. Als een bedrijf het toch niet redt, kunnen werknemers makkelijker elders aan de slag.” (AD 19 mei 2020) Naar Biesheuvels idee ligt hier een nobele taak voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Vereniging Hogescholen en de MBO-Raad.

    De lofzang op de vaardigheden werd in die maanden vaker aangeheven. Op 10 mei was Sandra Philippen, hoofdeconoom van ABN Amro, te gast bij het programma Buitenhof. Zij stelde dat veel mensen zich moeten ‘resetten’ en omscholen naar ander werk.

Philippen pleitte ervoor om mensen te ondersteunen bij het in kaart brengen van hun vaardigheden die passen bij een ander beroep in een andere sector. Ze onderschreef daarmee het voornemen van het kabinet om werkgevers aan te moedigen hun werknemers te laten omscholen zodat zij niet in de WW belanden.

    Een paar dagen later deed de Amsterdamse wethouder Simone Kukenheim (zorg, beroepsonderwijs, sport) er nog een schepje bovenop: “Door de coronacrisis verliezen veel mensen hun baan en moeten ze op zoek naar ander werk, soms zelfs in een andere sector. Als werkenden en werkzoekenden weten wat hun vaardigheden zijn, vergroot dat hun inzicht in welk ander werk bij hen past. Veelal is daar ook omscholing bij nodig.”

Beroerd karakter

Als ik iemand het woord ‘vaardigheden’ hoor ophemelen, moet ik altijd denken aan een retorische vraag van Koen Vos, practor Brede Vorming van ROC Friese Poort. “Wat hebben we aan een timmerman met gouden handjes maar een beroerd karakter?” Stelt u zich zo’n timmerman voor. Zeldzaam snel en handig heeft hij uw nieuwe kledingkast gebouwd. U brengt hem een extra kop koffie, en uit uw waardering door zijn vakmanschap te prijzen. Geen reactie. De koffie drinkt hij niet op, het zaagsel veegt hij niet bij elkaar, en de restanten hout laat hij liggen. ‘Die voert u zelf toch wel af?’

Misschien houdt deze timmerman het vol zolang er veel vraag is naar zijn vaardigheden, maar met een beetje crisis verdwijnt hij vrij rap uit menig adressenboek.

Afgelopen decennia heeft ons onderwijs zich duidelijk gericht op de vraag die de arbeidsmarkt stelde, en dat was de vraag naar specifieke vaardigheden, want zo dacht men leerlingen, studenten een zo groot mogelijke kans te bieden op werk. “De andere doeldomeinen, socialisatie en persoonsvorming,” zegt Koen Vos, “roepen bij zowel overheid als onderwijsinstellingen begripsonduidelijkheid en handelingsverlegenheid op. Hoe kunnen we studenten stimuleren om aan hun karakter te willen schaven?”

Het woord ’karakter’ is etymologisch verwant aan ’krassen’. Een karakter is het geheel van ingeslepen lijnen. Daarom voeden we onze kinderen op, niet een keer, maar jarenlang, totdat is ingekerfd wat als belangrijk kan worden gezien; een betere wereld waarbij mensen elkaars belangen dienen. Neem iets als beleefdheid. Aanvankelijk zien de meeste pubers dit als poppenkast, uiterlijk vertoon, om deze beleefdheidsnormen vervolgens na jaren meestal toch te verinnerlijken waardoor ze een gewoonte worden en onderdeel gaan uitmaken van je karakter. En lukt dit niet, dan storen we ons daar behoorlijk aan, zoals bij de timmerman met het beroerde karakter.

Training van ons voorstellingsvermogen.

Kunnen we ervoor zorgen dat de lijnen zo ingesleten raken dat we als persoon een beetje aardig door het leven rommelen?

Volgens voormalig Denker des Vaderlands, René Gude, hebben we sinds de Klassieke Oudheid vier trainingsgebieden om ons hierin te oefenen: sport, religie, kunst, en wetenschap/filosofie. Gude: “Het belang dat men eraan hechtte, laat zich afmeten aan de enorme kapitalen die door particulieren en overheden in alle tijden zijn besteed aan tempels, stadions, theaters, musea, concertzalen en allerlei academies. In elke stad en in elke cultuur vind je dit soort vaak prachtige gebouwen. Ze blijken essentieel voor de training van respectievelijk goede wil, lijf, verbeelding en verstand.”  

Gude vergelijkt deze oefening wel met een sportschool, waar je een specifieke spier traint, om later, buiten de sportschool, het hele lichaam beter te kunnen gebruiken. 

Een van die trainingsprogramma’s is kunst. “In het trainingsprogramma ‘kunst’ vinden we de literatuur, het theater, de schilderkunst, de architectuur, de muziek. In de kunst wordt de wereld beschouwd onder het fictieve aspect. In de kunst heb je de vrijheid om je niet al te veel aan te trekken van de wereld zoals die nu is.”

Kunst leert je volgens Gude hoe mensen in elkaar steken en hoe verschillend ze soms zijn. In theaterstukken, maar ook in de literatuur of in de film, kom je allerlei rare mensen tegen, gekke karakters. Gude: “Je oefent je inlevingsvermogen in deze mensen. En als je je inleeft, dan kun je deze mensen niet alleen beter begrijpen, maar je kunt ook jezelf beter leren kennen en misschien zelfs verbeteren.” (Agoramodel p.75)

Is dit handig voor de dagelijkse beroepspraktijk? Rechters vinden van wel, zij volgen zomercursussen bij het Studiecentrum Rechtspleging waarin verbanden worden gelegd tussen recht en literatuur. “Wie leest leert zich verplaatsen in een ander en in een andere waarheid. Daardoor kun je tot het inzicht komen dat waarheid niet (altijd) bestaat. Lezen prikkelt de creativiteit en zet aan tot reflectie over het eigen werk.”

Dat een rechter zich moet kunnen verplaatsen in een misdadiger is nog wel begrijpelijk maar een timmerman moet toch alleen maar leren timmeren, goed, hij moet z’n rotzooi opruimen, maar dat valt hem nog wel bij te brengen. En als zijn vaardigheden gedateerd blijken, moeten hij zich laten bijscholen, of wat nieuwe competenties zien te verwerven. Daar zijn scholen voor. Toch?

 Toen ik de huidige Denker des Vaderlands, Daan Roovers, hiernaar vroeg, gaf zij het voorbeeld van “een van de vooruitstrevende juffen op de school van mijn kinderen. Zij stelde voor niet al te veel tijd te besteden aan het ontwikkelen van een handschrift. ‘We tikken toch alles, ze hebben meer aan een typediploma.’ Typen lijkt een handige competentie. Maar tegen de tijd dat deze kinderen aan het werk gaan, hebben we allemaal een spraakcomputer en tikt er niemand meer.”

    Van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk is de beroemde uitspraak dat onderwijs bedoeld is om de nieuwe generatie voor te bereiden op een toekomst die er nog niet is. Roovers: “Belangrijker dan competenties bijbrengen, is in zijn optiek dat ook kinderen leren nadenken. Het Bildungsidee gaat ervan uit, dat je kinderen, scholieren, studenten zo ontwikkelt dat ze weerbaar zijn, en blijven, ook al veranderen de omstandigheden.”

    Toch gebeurt dat nog maar spaarzaam, bij een crisis zoals nu wordt er onmiddellijk naar vaardigheden of competenties gevraagd, en er wordt geroepen dat we die bij kunnen brengen door werknemers zo snel mogelijk moeten ‘resetten’ en bij te scholen.

Achter het gebruik van het woord ‘resetten’ gaat een idee van maakbaarheid schuil, dat je het inzetten van personeel in de maatschappij kunt vergelijken met het besturen van een computer. Deze human resources kunnen we niet meer hier inzetten, maar moeten verplaatst worden.

Werkt dit resetten? Nauwelijks. Irmgard Borghouts, docent arbeidsmarkt aan de universiteit in Tilburg, deed onderzoek naar het effect van scholingstrajecten, die na de financiële crisis in 2008 door werkgevers werden aangeboden. Slechts een kwart van de medewerkers die (om)scholing kreeg aangeboden heeft daar gebruik van gemaakt. (Trouw, 26 mei 2020)In een reactie hierop zegt PvdA-Kamerlid Gijs van Dijk: “Iedereen scholing opleggen, zoals bij de vorige crisis, werkt niet als mensen niet zelf gemotiveerd zijn.”

Motivatie

Motivatie is het gevoel dat je aanzet tot bepaald gedrag, dat kan vrijwilligerswerk zijn of betaald werk. Motiveren komt van het Franse motion, beweging. What keeps you goïng? Het antwoord op die vraag heeft niet te maken met je vaardigheden maar met wat je wil, wat je belangrijk vindt, met zingeving.

Ik zal niet beweren dat het lezen van een paar boeken, een concert bezoeken of een theater nu het weer kan ons zal helpen formuleren wat we morgen willen gaan doen. Maar wie slechts vraagt naar vaardigheden vergeet ons voorstellingsvermogen.

In het ijzersterke en ontluisterende boek ‘Voorbij de managementmaatschappij’ schrijft de historicus en bedrijfskundige Marjolein Quené dat het onderwijs in Nederland afgelopen decennia in het teken van de arbeidsmarkt is komen te staan. Met de beste bedoelingen. “Maar het betekent voor de leerlingen en studenten tegelijkertijd een verarming in voorstellingsvermogen. Het schaadt hun inlevingsvermogen, respect en waardering voor verschillen en vermogen tot reflectie. Vaardigheden worden eenzijdig ontwikkeld. Hoe minder kunst, muziek, sport, aardrijkskunde, geschiedenis en filosofie er onderwezen wordt, des te eenzijdiger kinderen en studenten opgroeien.”

Wat de roep om ‘vaardigheden’ betekent, heeft de Franse filosoof Michel Foucault al in de jaren zestig beschreven met de termen ‘macht’ en ‘discours’. Het discours is de manier waarop het doen en laten van een cultuur in woorden wordt gevat. Behalve om de woorden gaat het hierbij ook om uitdrukkingen en verhalen die in ‘het spreken’ van een bepaalde cultuur tot uitdrukking komen. En in die woorden, uitdrukkingen, verhalen liggen de regels, normen en waarden van die cultuur vervat.

Het revolutionaire van Foucault was, dat dit discours niet die cultuur beschreef, maar het menselijk gedrag binnen die cultuur reguleerde. Dachten wij eeuwenlang dat macht door mensen of instituties werd uitgeoefend, Foucault draait dit om. Hij stelt dat het ‘discours’ de macht ís, dat de regels van de cultuur, de verhoudingen tussen mensen en de structuur van de instituties bepaalt.

    Binnen de neoliberale cultuur, stelt Foucault, vormt de arbeider zijn eigen kapitaal, dat bestaat uit zijn competenties, zijn vaardigheden, zijn mentale en fysieke gezondheid en zijn arbeidsgeschiktheid. Het woord arbeider is afgelopen decennia vervangen door human resource, menselijke bron van kapitaalvermeerdering. 

    En is er een probleem op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld nu, tijdens de coronacrisis? Dan moet het human resource-management het personeel ‘resetten’ en rap op zoek naar andere vaardigheden voor medewerkers die op straat komen te staan.    

Een paar jaar geleden interviewde ik de politieagente Angelique Schouten voor de serie Zin in werk in Trouw.(1 maart 2014) “Na jaren bij de recherche werken, koos ik voor een opleiding tot wijkagent. Dan zit je vóór het probleem, in plaats van erna.”

Ik heb de verandering in de carrière van Schouten altijd bewonderd. Het is knap lastig je eigen taken te beschrijven, laat staan te kunnen formuleren waarom jij je verheugt op een toekomstige baan. En ook nog eentje waarbij je waarschijnlijk in aanzien achteruit gaat en minder gaat verdienen. 

Spreekt Angelique Schouten over vaardigheden of competenties? Nee. Verderop in het interview ging zij wel in op haar motivatie: “Samenwerken met verschillende partners vind ik een van de mooie kanten van mijn beroep. Onlangs heb ik de winkeliers van het dorp bezocht, en hen uitgenodigd voor het project ‘Afrekenen met winkeldief’, dat winkeliers stimuleert aangifte te doen.”

Schouten praat over wat zij wil doen, wat zij belangrijk vindt. ‘Voor het probleem in plaats van erna.’ ‘Samenwerken met andere partijen.’ Zij heeft zichzelf niet ‘gereset’, zij heeft zich afgevraagd wat ze met haar leven wil, zij heeft zichzelf herijkt. Zij doet niet aan computerkunde, maar aan zingeving.  

Pas na die zingeving komen de vaardigheden, die verwerf je tijdens een opleiding. En als je zin hebt in die toekomstige baan, word je er in rap tempo nog vaardig in ook.

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.